Arnold Schönberg

Arnold Schönberg

Componist

Oprichter van de Tweede Weense School

Arnold Schönberg (1874-1951) is een van de grootste vernieuwers van de 20ste eeuw. Als grondlegger van het twaalftoonstelsel heeft hij de westerse muziek naar een stadium gebracht waarin alle harmonische verhoudingen verdwenen en alle tonen gelijk aan elkaar waren.

Zijn magistrale oratorium Gurre-Lieder, nog van vóór de vernieuwingen en een hoogtepunt in de 19de-eeuwse romantiek, werd in seizoen 2014-2015 en 2017-2018 door De Nationale Opera succesvol uitgevoerd in een enscenering van regisseur Pierre Audi  .

  • Arnold Schönberg: 13 september 1871 (Wenen) – 13 juli 1951 (Los Angeles)
  • Belangrijkste werken: Gurre-LiederPelleas und MelisandeVerklärte NachtVariationen für OrchesterMoses und Aron, vijf strijkkwartetten, twee kamersymfonieën
  • Stroming: romantiek, modernisme, Tweede Weense School
  • Gezin: getrouwd met Mathilde von Zemlinsky en later met Gertrud Golisch, twee kinderen uit zijn eerste huwelijk, drie kinderen uit zijn tweede huwelijk

Autodidact

Arnold Franz Walter Schönberg werd op 13 september 1871 geboren in Wenen. Hij werd als tweede van drie kinderen geboren in een middenstandsgezin en moest, na de dood van zijn vader, een baan als klerk aannemen om te helpen het gezin te onderhouden. Toen hij acht jaar was kreeg hij vioolles. Hij begon kort daarop ook met componeren en schreef vooral duetten voor twee violen. Schönberg had geen geld voor een formele muziekopleiding, dus leerde hij zichzelf harmonie- en vormleer. Ook later in zijn leven heeft Schönberg zichzelf vele technieken en kunsten aangeleerd.

Aangezien hij geen mogelijkheden had om muziek te maken in orkestverband ging Schönberg in een ensemble spelen dat gedirigeerd werd door de componist Alexander von Zemlinsky. Deze gaf hem les in contrapunt en advies op muziektheoretisch gebied. In 1897 schreef Schönberg een strijkkwartet dat, op instigatie van Zemlinsky, gespeeld werd op een besloten concert van de Wiener Tonkünstlerverein.

Romantische werken

In zijn volgende werk, het strijksextet Verklärte Nacht (1899), sloeg Schönberg nieuwe wegen in wat betreft tonaliteit. Het werk was dusdanig experimenteel dat de Tonkünstlerverein het weigerde te spelen. Daarom bleef Schönberg nog even in de traditie van Mahler en Richard Strauss. Zijn eerste orkestwerk, Pelleas und Melisande (1903) is erg complex, maar sluit volledig aan bij de symfonische poèmes van Strauss. De enorme Gurre- Lieder, die hij in 1900 begon en pas 10 jaar later voltooide, kunnen gezien worden als het hoogtepunt van de 19de -eeuwse romantiek. Schönberg schreef dit werk in 1900 voor een wedstrijd van de Tonkünstlerverein, maar was een paar dagen te laat klaar om het te kunnen inzenden. In de drie daaropvolgende jaren orkestreerde hij de eerste twee delen. Toen liet hij het werk liggen om zich aan andere composities te wijden. In 1901 trouwde hij met de zus van Zemlinsky, Mathilde von Zemlinsky.

Atonaliteit

Richard Strauss was zo onder de indruk van Pelleas und Melisande dat hij voor Schönberg een baan als compositieleraar regelde en ervoor zorgde dat hem het Liszt-stipendium werd toegekend. Schönbergs nieuwe positie als leraar zorgde ervoor dat hij ook privéleerlingen kreeg, waaronder Alban Berg in 1904. Het stelde hem tijdelijk in staat om zich aan het componeren te wijden en in deze periode schreef hij een aantal liederen, zijn Eerste Kamersymfonie (1906) en zijn Eerste Strijkkwartet (1905). Zijn composities verloren steeds meer contact met de conventionele tonaliteit en Schönberg werd dan ook steeds minder begrepen door zijn publiek. Hij bleef de steun van Strauss en Mahler houden, ook al begrepen zij zijn werk ook niet altijd.

Het jaar 1908 markeerde een moeilijke periode voor Schönberg. Zijn vrouw had een affaire met de schilder Richard Gerstl, en ging zelfs een tijdje bij hem wonen. In dit jaar schreef Schönberg zijn liederencyclus Das Buch der Hangende Gärten. Het 13de lied daarvan was zijn eerste volledig atonale werk. Twee jaar later voltooide Schönberg een boek over muziektheorie: zijn beroemd geworden Harmonielehre. In hetzelfde jaar voltooide hij de orkestratie van zijn Gurre-Lieder. Het tijdsverschil tussen de orkestratie van de eerste delen en het laatste deel getuigt van de invloed die Mahler in de tussentijd op Schönberg heeft gehad. Schönberg leek vooral een voorbeeld aan Mahlers Das Lied von der Erde te hebben genomen.

Beginnend succes

In 1911 accepteerde Schönberg een aanstelling aan het Stern’sche Konservatorium in Berlijn. In Berlijn kreeg hij ook de kans om een aantal van zijn werken uit te voeren. Zijn nieuwe werk, Pierrot Lunaire, voor fluit, klarinet, viool, cello, piano en spreekstem (1912) was een groot succes en werd daarop ook in een aantal andere steden uitgevoerd. Zo begon Schönberg eindelijk wat bekendheid te krijgen in Europa. Zijn vroege, romantische werken werden met veel succes uitgevoerd en men was nieuwsgierig naar zijn modernere werken. Dankzij de steun van een rijke mecenas kon Schönberg bovendien directielessen nemen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwamen deze ontwikkelingen weer tot stilstand. Er werden veel minder concerten gegeven en op die concerten werd ook veel minder moderne muziek gespeeld. In 1915 moest Schönberg zelf in militaire dienst, waardoor hij weinig gelegenheid meer had om te componeren.

Serialisme en classicisme

In 1918 richtte Schönberg de Verein für musikalische Privataufführunge op: een vereniging waarin avant-garde componisten in gesloten kring hun muziek serieus konden repeteren en uitvoeren zonder de aanwezigheid van sensatiebeluste pers. Hier werden werken van hemzelf en zijn leerlingen, waaronder Berg en Webern, onder Schönbergs leiding uitgevoerd. Een paar jaar later werd de vereniging alweer opgeheven uit financieel gebrek, maar in die paar jaar werden er toch ruim 170 concerten gegeven. In 1923 overleed Schönbergs vrouw Mathilde. Schönberg hertrouwde een jaar later met de zus van een leerling van hem, Gertrud Golisch. In 1925 werd hij uitgenodigd om, als opvolger van Busoni, in Berlijn de masterclass compositie aan de Akademie der Künste te geven.

In de Serenade (1920-23) en de Suite für Klavier (1921-23) die Schönberg in deze jaren schreef ontwikkelde hij de dodecafonie verder. Hij werkte aan een systeem van toonreeksen en in beide werken bevatten één deel dat gebaseerd is op een twaalftoonsreeks. Tegelijkertijd schreef hij ook veel werken naar het klassieke voorbeeld van Bach en Mozart. Vele werken bestaan uit allerlei barokke dansen en variatievormen die typerend zijn voor de late barok en het oude classicisme. De Variationen für Orchester (1928) vormen daarbij het hoogtepunt van Schönbergs fantasie in het combineren van contrapunt en serialisme.

Naar Amerika

Eind 1928 begon Schönberg met de tekst voor Moses und Aron, een werk dat hij begon als een oratorium, maar dat hij later omwerkte tot een opera. In 1932 had hij de eerste twee aktes voltooid. Daarna deed hij nog pogingen om de laatste akte te schrijven, maar kwam niet verder dan schetsen. De thematiek is treffend vanwege het toenemende antisemitisme in die jaren. Schönberg koos een tekst uit het Oude Testament die hij een klein beetje aanpaste.

Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen verliet Schönberg Duitsland. Hij ging een tijdje in Frankrijk wonen, bekeerde zich daar officieel tot het jodendom en emigreerde toen naar Amerika. Hij kreeg daar een baan als docent aan het Malkin Conservatory in Boston. Vanwege gezondheidsproblemen verhuisde hij in 1934 naar Los Angeles, waar hij professor aan de universiteit werd. Daar schreef hij zijn Vioolconcert en zijn Pianoconcert. Hoewel het Vioolconcert klassiek van vorm is, gebruikte Schönberg slechts één enkele toonreeks voor het hele stuk. Voor het Pianoconcert geldt hetzelfde, al is Schönberg daar niet heel strikt meer. In Amerika begon hij sowieso steeds meer terug te keren naar de tonaliteit. De Suite voor Strijkers (1935) en de Tweede Kamersymfonie (1939) waren weer grotendeels tonaal.

Laatste jaren

Schönberg voelde zich alles behalve op zijn gemak in Amerika. Voor zijn muziek was nauwelijks publiek, conservatief als de Amerikanen waren. Het nieuws uit Europa, over de verslechterende omstandigheden waarin zijn vrienden en familie leefden door het toenemende fascisme in Duitsland baarde hem veel zorgen. Bovendien ging zijn gezondheid sterk achteruit. Er werd astma bij hem geconstateerd en op gegeven moment moest hij zijn positie als professor aan de universiteit van Californië opgeven. In 1946 kreeg hij een hartaanval die bijna fataal was. Deze ervaring verwerkte hij in zijn Strijktrio, dat hij direct na zijn herstel schreef. In 1947 voltooide hij een eerbetoon aan de slachtoffers van de holocaust: A survivor from Warsaw voor verteller, mannenkoor en orkest. In zijn laatste jaar publiceerde Schönberg een aantal vroegere artikelen en essays. Ook schreef hij nog wat kleinschalige religieuze werken. Schönberg overleed op 13 juli 1951. Het toeval wil dat hij zijn hele leven bang voor het cijfer 13 was geweest en dat hij ervan overtuigd was dat de leeftijd waarop hij zou sterven een meervoud van 13 zou zijn. Hij werd 76 jaar; 7+6=13…