Lorenzo Viotti

Lorenzo Viotti over Tosca: 'opera als een stomp in je maag'

‘Vanaf de eerste noot tot aan het slotakkoord is deze opera een stomp in je maag'

Tekst en vertaling: Laura Roling

Chef-dirigent Lorenzo Viotti leidt het Nederlands Philharmonisch Orkest in de eerste van drie Puccini-opera’s die in de loop van drie jaar bij De Nationale Opera worden gepresenteerd.

Dit is niet de eerste keer dat je Tosca dirigeert, toch?
“Ik heb de opera wel eerder gedirigeerd, maar alleen in reprises bij repertoiregezelschappen. Dat betekent dat ik voor de voorstellingen steeds maar een paar dagen heb kunnen repeteren, en dat was het dan."

"Dit is mijn eerste nieuwe productie van de opera, en we nemen hier in Amsterdam bijna twee maanden de tijd om in dit werk te duiken. Dat maakt een ongelooflijk verschil, dus in zekere zin beschouw ik dit als mijn eerste Tosca. Als voorbereiding op de repetities heb ik natuurlijk de partituur zorgvuldig bestudeerd en elke noot en elk personage geanalyseerd. Maar het belangrijkste zijn toch de ontdekkingen die je doet als je aan het repeteren bent, dan beginnen de dingen echt op hun plaats te vallen.”

Is het echt nodig om Puccini zo uitgebreid te repeteren?
“Puccini heeft ten onrechte de reputatie gekregen gemakkelijk te zijn, maar er is niets gemakkelijks aan zijn muziek. Je moet, net als bij andere componisten, de tijd nemen om hem recht te doen. Puccini componeerde zijn opera’s met een minutieus oog voor detail en een ongelooflijke neus voor wat werkt in het theater."

"Probeer maar eens een opera van Mozart of Wagner te doen met maar twee dagen repetities en zie wat er gebeurt. Het resultaat zal niet goed zijn en het publiek zal dat onmiddellijk merken. Het trieste met Puccini is dat mensen eraan gewend zijn geraakt om zijn werken onzorgvuldig uitgevoerd te horen worden.”

Wat maakt Tosca zo’n krachtige opera?
“Het is een extreem donker en pessimistisch werk. In plaats van met een ouverture, opent de opera muzikaal met de klanken van Scarpia, waarmee, nog lang voordat hij fysiek op het toneel verschijnt, zijn duistere aanwezigheid in de muziek al voelbaar wordt gemaakt. En vanaf dat allereerste begin laat Puccini onze aandacht niet verslappen. Zelfs de lichtere toets, die door de Sagrestano in de eerste akte wordt verzorgd, draagt alleen maar bij aan de intensiteit van het stuk in zijn geheel. Vanaf de eerste noot tot aan het allerlaatste akkoord is deze opera als een stomp in je maag.”

"Puccini componeerde zijn opera’s met een minutieus oog voor detail en een ongelooflijke neus voor wat werkt in het theater"

Je had het over Scarpia’s muzikale aanwezigheid. Hoe karakteriseert Puccini Scarpia in zijn muziek?
“Scarpia is de duivel. De tonaliteit die met hem wordt geassocieerd is E-groot – D-groot – Bes. De intervallen zijn tritonen, die dissonant en dreigend klinken. De tritonus is in de loop van de muziekgeschiedenis vaak geassocieerd met de duivel, en dat maakt dit interval perfect voor Scarpia."

"Tegelijkertijd is Scarpia’s muziek ook zeer rijk wat kleur en articulatie betreft. Hij is een psychopaat, dat is heel duidelijk, maar hij kan veel verschillende gezichten aannemen. Hij kan een heer zijn, hij kan heel beleefd zijn, maar ook een angstaanjagend monster. En dat hoor je in zijn muziek – die is vaak heel nobel en kalm, maar kan ook plotseling heel agressief worden, als een hond die blaft en op het punt staat je te verscheuren, om daarna weer zacht en bijna teder te worden.”

En hoe zit het met Cavaradossi?
“Cavaradossi is interessant, deels omdat hij niet de typische Puccinitenor is. Het is geen geheim dat Puccini vooral gefascineerd was door de vrouwelijke karakters in zijn opera’s. Hij verleende ze een complexiteit die hij zijn mannen niet gaf. Cavaradossi is een uitzondering op de regel. Hij begint als een naïeve verliefde artiest, maar wanneer Angelotti verschijnt, besluit hij hem te helpen, wat hem tot een doelwit voor Scarpia maakt."

"In het tweede bedrijf schreeuwt Cavaradossi ‘Vittoria!’ in Scarpia’s gezicht. Dit vergt veel moed, want hij weet dat dit hem de kop zal kosten. En in de derde akte toont zijn aria ‘E lucevan le stelle’ hem als een verslagen man, die een gevoel van aanvaarding en berusting, vermengd met wanhoop en droefheid, ervaart. Hoewel de liefde altijd zou moeten overwinnen, weet hij dat dat nu niet het geval zal zijn. Wanneer Tosca opduikt en hem vertelt dat alles tóch goed zal komen, merk je aan alles dat hij dat niet echt gelooft. Hij doet alsof, voor Tosca’s bestwil, om haar te troosten.”

En Tosca?
“Ik vind dat het karakter van Tosca vaak te sterk wordt neergezet als een hysterische diva. Neem bijvoorbeeld haar jaloezie – ja, die is onmiskenbaar aanwezig, maar in haar scène met Cavaradossi speelt ze er ook een bewust spel mee. Haar jaloezie is ten dele ook een act. Dat moet ook wel, want in de tweede akte zien we duidelijk dat Tosca een ongelooflijk sterke vrouw is, die vooruit denkt en haar uiterste best doet om het hoofd koel te houden en een uitweg uit de situatie te vinden."

"Ik vind dat het karakter van Tosca vaak te sterk wordt neergezet als een hysterische diva"

"Tosca is ook heel gelovig en aan het eind van de tweede akte, wanneer ze Scarpia doodt, breekt er iets in haar. Ze heeft het onzegbare gedaan en is ingegaan tegen alles waarin ze gelooft. In de derde akte is veel van de vocale muziek haast parlando. Psychologisch gezien is de dood, voor zowel Tosca als Cavaradossi, onontkoombaar. Ze zijn op een bepaalde manier té gebroken om verder te leven. Voordat ze haar dood tegemoet springt, zingt Tosca “Scarpia, avanti a Dio!”, “Scarpia, we treffen elkaar voor God!”. In haar zanglijn horen we dan de tritonus die met Scarpia wordt geassocieerd. De muziek vertelt ons dat Scarpia wint. Hij heeft Tosca te pakken.”

Maar als ze springt, horen we de melodie van Cavaradossi’ weemoedige en liefdevolle aria ‘E lucevan le stelle’. Wat zegt ons dat?
“We horen de melodie, maar het ritme is heel anders, heel geagiteerd. Het is geen Liebestod. Er is niets transcendents aan deze muziek. Er is geen hoop in deze opera. Iedereen sterft. En ironisch genoeg kunnen we als toeschouwers niet anders dan ervan smullen.”