Orphée
Orphée, Gustave Moreau (1865)

Orpheus en de geheime kracht van de muziek

Tekst: Luc Joosten

Zanger, dichter, musicus, danser, kunstenaar maar ook: held, zeereiziger, minnaar, profeet, priester, tovenaar, heelmeester, vegetariër, voorloper van Christus… Al in de oudheid heeft de mythische Orpheus vele kanten. Het is dus niet verwonderlijk dat hij vanaf zijn eerste optreden de cultuur en de kunsten is blijven inspireren. Talloze werken, in alle genres, hebben hem terug tot leven gebracht. Auteurs als Vergilius, Ovidius, Plato, Shakespeare, Goethe, Rilke, Cocteau, Bachmann, Jelinek en Atwood hebben zich over hem en zijn geliefde, Eurydice, gebogen.

Ook vandaag nog is Orpheus volop in de kunsten aanwezig, en dus ook in het muziektheater. In 2022 verschijnen zelfs twee nieuwe opera’s op het toneel, genoemd naar Orpheus’ geliefde Eurydice: The Metropolitan Opera in New York presenteert een nieuwe opera van Matthew Aucoin uit 2020, op een libretto van Sarah Ruhl; en met trots kan De Nationale Opera het resultaat van een compositieopdracht aan Manfred Trojahn, Eurydice - die Liebenden, blind in wereldpremière laten gaan in een regie van Pierre Audi. En in O | A | E van Robin Coops, een voorstelling die in het Opera Forward Festival getoond wordt, duikt Orpheus op in onder meer de wereld van de Virtual Reality.

Christus avant-la-lettre
In de oudheid werd aangenomen dat Orpheus meer was dan een figuur uit de verbeelding. Hij zou echt geleefd hebben in een ver verleden, misschien zelfs één generatie voor de Trojaanse oorlog, in de voor-homerische tijd. Plato noemt hem in zijn Apologie in één rij met Hesiodus, Homerus en de Griekse dichter Musaeus, die soms zelfs als zijn zoon beschouwd wordt.  Maar de meningen lopen uiteen: Aristoteles stelde bijvoorbeeld zijn reële bestaan in vraag. In ieder geval wordt Orpheus ook als de stichter beschouwd van de religieuze cultussen die naar hem genoemd zijn, en als auteur van de bij deze cultussen behorende religieuze geschriften. In die orfische cultus en mysteriën staan de gedachte van de bevrijding van de menselijke ziel door rituele zuivering en ascese, en het geloof in de zielsverhuizing centraal. Orpheus is daarbij de leidsman die de ziel op haar reis naar hogere sferen begeleidt.

Het is dan ook geen toeval dat Orpheus in de vroeg-christelijke tijd en tot in de middeleeuwen als voorganger van Johannes de Doper en/of Christus gezien werd. Orpheus zou in zijn jeugd zelfs naar Egypte zijn gereisd waar hij leerling werd van Mozes en kennismaakte met het monotheïsme. De afdaling van Orpheus in de onderwereld en zijn terugkeer naar de levenden, maar ook zijn invloed op de dieren als een soort herder, waren parallellen die toelieten hem te zien als een proto-Christus.

Maar het beeld dat door de tijden heen blijft leven, en vanaf de renaissance aan kracht wint, is dat van Orpheus als zangerkunstenaar. Zijn opdracht bij uitstek in deze wereld is de muziek. Hij is als kunstenaar een verbindende figuur. Met zijn muziek zorgt hij voor harmonie en orde: tussen mens en dier, tussen mens en natuur, en tussen mens en de goden. Als zoon van Orpheus und Eurydike, Anselm Feuerbach (1869) Apollo heeft hij het instrument dat aan deze god gewijd is meegekregen. De lier, die in haar ideale vorm zeven snaren bezit, evenveel als er destijds planeten bekend waren, en waaruit de harmonie van het heelal kan worden nagebootst, wordt zijn symbool bij uitstek. Orpheus’ lier-muziek verbindt aarde en hemel, en brengt ze samen in één universele, kosmische klank.

'Orpheus’ muziek heeft
de kracht om de orde,
waar die verstoord is
geraakt, te herstellen.’

Muziek als heelmiddel
Hoe zou zijn muziek hebben geklonken? We weten het niet. Maar we kunnen bij de klassieke auteurs lezen dat het een muziek is met een bijzondere kracht. Als een van de medereizigers op Jasons Argonautentocht is het Orpheus die met het ritme van zijn muziek de slag van de riemen bepaalt en in de gevaarlijke ontmoeting met de Sirenen hun  verlokkende klanken overstemt.
 
Toch is het een muziek die niet luid klinkt, maar subtiel, vervoerend, bedwelmend. Wie niet gevoelig is voor die subtiliteit kan er zelfs door inslapen, zoals de bootsman Charon, die  in Monteverdi’s L’Orfeo indut bij het horen van de klanken. Wanneer, enige tijd na Eurydice’s tweede dood, de woedende Bacchanten Orpheus in de Thracische bergen aantreffen met zijn verdriet, bieden ze weerstand aan de kracht van zijn muziek door haar te overstemmen met hun Dionysisch geroep. Met hun handgeklap en geluid van blaas- en slaginstrumenten brengen ze zijn dichterstem tot zwijgen, waarna ze zijn lichaam op de meest wreedaardige manier verscheuren. De harmoniebrenger wordt van zijn ledematen ontdaan, en de delen worden verspreid over de zee – hij die verenigt, wordt uiteengerukt.

Dit contrast maakt duidelijk dat Orpheus’ muziek, in tegenstelling tot die van Dionysus, geen opzwepend karakter heeft, maar rustgevend is. Ze temt het wilde in het dier en in de mens. Ze tempert hevige emotie. Deze muziek heeft de kracht om de orde, waar die uit balans is geraakt, te herstellen. Ze heeft een helende werking, brengt de mens inwendig en in zijn geest weer in balans. Met zoete klanken kan ze elk gekweld hart bedaren, en zelfs de ijzigste ziel met nobele gevoelens en liefde vervullen – zoals het personage La Musica in Monteverdi’s L’Orfeo zingt.

Diezelfde Musica benadrukt overigens opnieuw de mogelijkheid van Orpheus’ muziek als mediator en harmoniebrenger tussen de menselijke ziel en het goddelijke. Alles is gevoelig voor Orpheus’ muziek. Zij heeft de kracht om de hele zijnsorde – van de dode materie, via plant, dier, mens, ziel tot zelfs planeten, goden en kosmos te doorkruisen, en in een pulserend leven met elkaar te verbinden. Muziek als leven gevend, als bezieler, als energie die het verstilde, het verstomde, het onbewogene en onbezielde tot beweging aanzet.

Orpheus legt in zekere zin de basis voor wat later uit zal groeien tot de muziektherapie. Als Apollo het vaderschap van muziek en geneeskunst in zich verenigt, dan is zijn zoon Orpheus de eerste uitvoerende practicus van die eenheid. De invloed van muziek op het  lichaam vertaalt zich ook in de expressieve beheersing ervan. De muziek zet aan tot een beheerste en georganiseerde dans – die we lijken terug te vinden in het klassieke ballet. Wanneer Offenbach in zijn ontheiligende parodie van de Orpheus-mythe, Orfée aux Enfers (1858/74), aan het einde de wilde Galop Infernal – de beroemde Cancan – laat klinken op een magere tekst met veel ‘la,la,la,…’ dan heeft hij daarmee vooral een tegenbeeld gecreëerd van datgene waar Orpheus’ muziek voor staat. Orpheus slaagt er in die operette dan ook in Eurydice uit de onderwereld te bevrijden, precies omdat hij niet meer van haar houdt en daarom ook geen enkel verlangen heeft om zich naar haar om te draaien.

De grens van de muziek
De kracht van muziek is echter niet onbegrensd. Ook dat laat de mythe zien. Charon valt in slaap – de grootste minachtingdie de kunstenaar ten deel kan  vallen. En wordt de god van de onderwereld door de muziek zelf overtuigd, of is het zijn vrouw Proserpina, die met haar overredingskracht Pluto tot toegeeflijkheid dwingt? Bij Monteverdi is het eenduidig dat laatste. Bij Gluck is het Amor zelf die tot leven wekt. Wekt Orpheus dus wel écht met zijn muziek zijn geliefde tot leven?

Uiteindelijk slaagt Orpheus er immers niet in zijn doel te bereiken met zijn kunst. Hij benadert zijn geliefde, kan haar zelfs tijdelijk meenemen, maar verliest haar toch weer. Daar begint zijn tweede tragiek – opnieuw moet hij zijn heil zoeken in het zingen. Orpheus, die muzikale expressie kan geven aan zijn eigen gevoel, zet die muziek nu in als eeuwige troost – de therapeut gaat in zekere zin in behandeling bij zichzelf. Orpheus blijft, ondanks zijn kracht en talent, een tragische figuur – de schoonheid van de muziek vraagt niet alleen zware offers, maar leidt ook tot zijn ondergang. Hij kan zichzelf niet redden – zijn wapen, zijn heelmiddel is ontoereikend.
De gedachte van de oermusicus als tragische figuur, waarbij de persoonlijke tragiek de inspiratie vormt voor de compositie, leeft tot op heden verder in de gedachte van de lijdende componist en het gekwelde muzikale genie.

‘Uiteindelijk slaagt
Orpheus er niet in zijn
doel te bereiken met
zijn kunst.’

Verklanking van het ontoegankelijke
Over de tragiek en de begrenzing van de kunstenaar Orpheus schrijft de Franse filosoof Maurice Blanchot mooie woorden en gedachten in zijn essay over Orpheus. “De fout van Orpheus lijkt te liggen in zijn verlangen Eurydice te zien en te bezitten, terwijl zijn enige bestemming is haar te bezingen. Hij is Orpheus alleen in het lied, hij kan alleen binnen de hymne een relatie met Eurydice hebben, […] alleen in het lied heeft Orpheus macht over Eurydice, maar ook in het lied is Eurydice al verloren.” De mythe van Orpheus en Eurydice is een allegorie over de grens van het artistieke kunnen. Ze geeft aan dat die grens van wezenlijk belang is en zelfs aan de oorsprong van de kunst ligt. Zij vormt de aanleiding, maar is het ook die het artistieke streven gaande houdt in de fundamentele onmogelijkheid een einddoel te  realiseren. De kunstenaar is degene die vertelt over zijn tocht naar het onbereikbare. Zijn kunst ontstaat uit de verklanking van het ontoegankelijke.

Dat beschreef de laat-romeinse auteur Fulgentius al in zijn Mythologieën uit de 6de eeuw na Christus. Hij beschouwt de mythe van Orpheus als een allegorie over de kunst van de muziek. Orpheus staat daarin voor de kunstenaar en (uitvoerend) musicus, Eurydice voor de theorie. “De schoonheid van de stem, zoals zij tot het diepste geheim van onze harten spreekt, is zoals de mysterieuze kracht van poëzie… Maar als we op zoek gaan naar de reden waarom dit gebeurt, dan sterft het voorwerp van onze studie af. Daarom is het verboden voor Orpheus naar Eurydice te kijken, en verliest hij haar wanneer hij naar haar kijkt.” Het geheim van de muziek is een vrouw, haar naam is Eurydice en haar naam prijkt als titel boven de eerste opera’s uit de geschiedenis, maar ook nog steeds boven de meest recente.

Orpheus en de opera
Het hoeft dus niet te verwonderen dat een figuur als Orpheus aan het begin staat van de operageschiedenis en er niet meer uit weg te denken is. De mythe verbindt thema’s waar opera’s tot op de dag van vandaag uit putten: liefde, lijden, dood, opnieuw tot leven wekken en de muziek en de kunsten zélf. De aandacht voor de Orpheus-mythe van componisten als Peri, Caccini en niet in het minst Monteverdi, maar ook de talloze na hen – ongeveer twintig opera’s in de 17de eeuw alleen – is zeker mede ingegeven door de inspirerende kracht ervan. De belichaming van de mens als musicus, de mens die dóór en ín de muziek leeft en zelfs met de muziek tot leven kan wekken, staat ook centraal in de eerste opera’s. Hij leeft door zang, hij ademt het lied. En dat is precies wat de opera laat zien en horen: een gezongen wereld, een wereld waarin de muziek evident, alomtegenwoordig en noodzakelijk is – levenslucht, dus aire of aria. “Gesang ist Dasein”, zingen is bestaan, luidt het in één van Rilkes Sonette an Orpheus. De personages in de opera spreken maar één taal: die van de muziek, van Orpheus, de mythische dichter-zanger. In en door het zingen zijn: dat is de oorsprong van de opera. Niet voor niets stelde Theodor Adorno dan ook: “Alle Oper ist Orpheus”.

DE MYTHE VAN ORPHEUS

Er zijn, zoals steeds in de mythe, vele versies van het verhaal
van Orpheus, maar het volgende patroon blijft min of
meer gelijk. Met zijn gezang slaagt Orpheus erin de natuur
te ontroeren: planten en dieren, zelfs rotsen brengt hij in
vervoering met de klanken van zijn stem en zijn lier, waarop
hij zichzelf begeleidt. En uiteraard raken ook mensen in
de ban van zijn muziek. De nimf Eurydice wordt op hem
verliefd en de liefde is wederzijds. Kort voor of na het
huwelijk wordt Eurydice, op de vlucht voor een belager,
gebeten door een slang en sterft.
Het bericht van haar dood stort Orpheus in een diep verdriet.
Hij besluit uiteindelijk af te dalen in de onderwereld,
het rijk der doden, om zijn geliefde terug te halen. Met zijn
muzikale smeekbede weet hij de schimmen en goden van
het dodenrijk te vermurwen. Hij mag zijn geliefde meenemen
naar het rijk van de levenden op voorwaarde dat hij
tijdens de weg naar boven niet naar haar omkijkt. Helaas
slaagt Orpheus daar niet in: hij kijkt om naar zijn geliefde,
en Eurydice wordt terug naar de onderwereld gehaald.
De reden van het omkijken wordt afhankelijk van de bron
anders ingevuld: is het bezorgdheid, ongeduld, wantrouwen
of een reactie op een vraag van Eurydice? In ieder
geval is Orpheus zijn geliefde opnieuw kwijt. Ook over het
leven van Orpheus na dit tweede verlies wijken de bronnen
van elkaar af. In één versie wordt hij door de Bacchanten,
vrouwelijke volgelingen van de god Dionysus,
verscheurd omdat hij de liefde voor vrouwen heeft afgezworen.

Zij werpen zijn ledematen in de zee, en alleen zijn
hoofd, vastgespijkerd op zijn lier, blijft, al zingend, drijven
op het water; in een andere versie wordt hij door zijn vader, de god Apollo, opgenomen in de hemel vanwaar hij in de sterren en de zon de glans van Eurydice kan zien. We herkennen hier onmiddellijk de centrale thema’s die de Orpheus-mythe behelst: de kracht van de muziek; de kracht van de liefde; de afdaling in het rijk van de doden; de terugkeer met de levende Eurydice; het verbod om te kijken en tenslotte de dood van Orpheus.

Eurydice - Die Liebenden, blind is te zien vanaf 5 maart 2022. Kijk hier voor meer informatie.

Orphée | L'Amour | Eurydice is te zien vanaf 5 maart 2022. Kijk hier voor meer informatie.

Dit artikel werd eerder geplaatst in Odeon nummer 125, 2022