Operetta Land
Inhoud
- Voorstellingsinformatie
- In het kort
- In gesprek met regisseur Steef de Jong
Regie, decor en kostuums, libretto - Het verhaal
- In gesprek met librettist Paulien Cornelisse
Libretto - Tijdlijn
- In gesprek met dirigent Aldert Vermeulen
Muzikale leiding - De muziek van Operetta Land
- Achtergrondartikel
Essay: Waar ging het mis met de operette in Nederland? - Biografieën artistieke team
- Biografieën cast
Voorstellings-informatie
Voorstellingsinformatie
Voorstellings-informatie
Operetta Land
Duur 1 uur en 45 minuten, geen pauze
Deze voorstelling wordt overwegend in het Nederlands gezongen. De voorstelling wordt boventiteld in het Nederlands (gebaseerd op de tekst van Paulien Cornelisse) en Engels (vertaald door Jonathan Reeder).
Makers
Libretto
Paulien Cornelisse en Steef de Jong
Première
20 november 2022
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam
Muzikale leiding
Aldert Vermeulen
Concept, regie, decor en kostuums
Steef de Jong
Co-regie
Maria Lamont
Licht
Cor van den Brink
Dramaturgie
Laura Roling
Arrangementen
Marijn van Prooijen
Team Groots en Meeslepend
Ina Veen, Stephan Nelissen, Willy Veen
Cast
De Verzinner/Lady Kant/Venus
Steef de Jong
Koningin
Raoul Steffani
Prinses Galathea
Elenora Hu
Minister van Financiën
Marc Pantus
Graaf Lothar
Laetitia Gerards
Koning Pygmalion/Heggenschaarhuzaar
Frederik Bergman
Sir Taki/Heggenschaarhuzaar
Aaike Nortier*
Prins Nicola/Heggenschaarhuzaar
Steven van der Linden*
Heggenschaarhuzaren (bewegers)
Evelien Emmens, Yael le Roy, Geert Sweep, Manon Wittebol
Heggenschaarhuzaren (toneeldienst)
Arjen Koch, Michel van Veen, Ellen Oosten, Zeth Pattinama, Isabel Voorbij
*De Nationale Opera Studio
Nederlands Kamerorkest
Productieteam
Avondregie
Maria Lamont (t/m 12 oktober)
Maarten van Grootel
Repetitoren
Jan-Paul Grijpink
Peter Lockwood
Voorstellingsleiding
Merel Francissen
Emma Eberlijn
Sanne van Loenen
Sem Oosterhof (stagiair)
Artistieke planning
Anne Slothouwer
Kostuumsupervisor
Maarten van Mulken
Eerste toneelmeester
Wim Kuijper
Eerste belichter
Cor van den Brink
Eerste rekwisiteur
Quani Wolters
Eerste kleder
Jenny Henger
Eerste grimeur
Pim van der Wielen
Geluidstechnici
Ramón Schoones
Niels Mudde
Jurgen van Harskamp
Florian Jankowski
Dramaturg
Laura Roling
Titelregie
Eveline Karssen
Bediening boventiteling
Irina Trajkovska
Senior Muziekbibliothecaris
Rudolf Weges
Orkestinspectie
Jurrien Loman
Julie Deckers
Productievoorbereider
Valerie Smalen
Productieleiding
Lotte Heeman
Figuratie
Evelien Emmens
Geert Sweep
Manon Wittebol
Yael le Roy
Nederlands Kamerorkest
Eerste viool
Joe Puglia
Tijmen Huisingh
Maaike Aarts
Beverley Lunt
Philip Dingenen
Melissa Ussery
Nina Broeva
Marijke van Kooten
Kilian van Rooij
Charlotte Basalo Vázquez
Tweede viool
Bas Treub
Laura Oomens
Olga Caceanova
Léa Al-Saghir
Lena ter Schegget
Kaarin Lehemets
Sara Molina Castellote
Vera Werkman
Altviool
Simone van der Giessen
Anna Magdalena den Herder
Berdien Vrijland
Liselot Blomaard
Giles Francis
Almudena González Regueral Navarr
Cello
Sietse-Jan Weijenberg
Jan Bastiaan Neven
Anastasia Feruleva
Sebastian Koloski
Ori Ron
Contrabas
Joaquin Clemente Riera
Wimian Hernandez Reyes
Mario Asensio Hernández
Fluit
Leon Berendse
Elke Elsen
Hobo
Jeroen Soors
Avesta Yusufi
Klarinet
Annemiek de Bruin
Ana Barradas Prazeres
Fagot
Margreet Bongers
Susan Brinkhof
Hoorn
Wouter Brouwer
Fred Molenaar
Hendrik Marinus
Trompet
Gertjan Loot
Marc Speetjens
Trombone
Bram Peeters
Dominique Capello
Wilco Kamminga
Marijn Migchielsen
Pauken
Theun van Nieuwburg
Slagwerk
Matthijs van Driel
Diego Jaen Garcia
Nando Russo
Harp
Sandrine Chatron
In het kort
Van een portret van de makers Steef de Jong en Paulien Cornelisse tot en met de vele gezichten van de operette.
In het kort
Steef de Jong
Theatermaker, beeldend kunstenaar, performer en operette-aficionado Steef de Jong oogst al jaren succes met voorstellingen waarin hij met ingenieus geconstrueerde kartonnen decors de verbeelding van de toeschouwers prikkelt. Van een kleine tent op reizend theaterfestival de Parade tot grootse producties in de Volksoper Wien, De Jong neemt zijn publiek op de meest uiteenlopende podia mee in een wereld van fantasie, operette en plezier. Volgens hem kampt de operette met een hardnekkig imagoprobleem, waardoor mensen er lange tijd niet meer naar omgekeken hebben. “Het mooie daaraan,” zegt De Jong, “is dat je de operette opnieuw kunt ontdekken. Het genre wordt gekenmerkt door de knipoog, de kwinkslag, spot en zelfspot – en vooral heel veel plezier.”
Lees hier het interview met Steef de Jong
Paulien Cornelisse
In Operetta Land wordt overwegend Nederlands gesproken en gezongen. Voor de vertaling van de gezongen teksten en de uitwerking van de dialogen riep Steef de Jong de hulp in van Paulien Cornelisse. Deze Nederlandse schrijver, cabaretier, columnist en presentator beschikt over een haarscherp taalgevoel en een humorvolle en verwonderende kijk op de wereld. “Ik hou ervan om te schrijven over mensen die met elkaar opgescheept zitten,” zegt Cornelisse. “Dat was in mijn De verwarde cavia-romans in een kantoorsituatie. Operetta Land speelt zich af aan een hof, eigenlijk ook een soort kantoor, vol met misverstanden en kwesties als ‘wie is hier de baas?’ en ‘Wat wil het heersende gezag van mij?’.”
Lees hier het interview met Paulien Cornelisse
Rijke variatie
Hoewel er al humorvolle, lichte ‘zusjes’ van de opera bestonden sinds het ontstaan van de kunstvorm, valt de operette toch aan een exact ontstaansjaar te koppelen: 1855, toen de Franse componist Jacques Offenbach in Parijs zijn eigen Théâtre des Bouffes-Parisiens opende. Daar bracht hij muziektheaterwerken die op humoristische wijze de heersende moraal en fatsoensnormen op de hak namen, in wervelende shows vol populaire muziek. Het operettevirus sloeg snel over naar andere landen en steden, waar het genre steeds opnieuw een eigen gezicht ontwikkelde. In Wenen voegden componisten als Johann Strauss II een flinke dosis ‘walsromantiek’ toe, in Groot-Brittannië brachten Gilbert & Sullivan de typische Britse humor, terwijl in Berlijn niet alleen marsmuziek, maar ook jazzinvloeden hun intrede deden. Met een diverse muzikale selectie brengt Operetta Land een ode aan de rijke variatie binnen de verschillende operettetradities.
Operette in Nederland
De operette verspreidde zich halverwege de 19de eeuw razendsnel door Europa en bereikte zo ook Nederland. In 1862 werd Offenbachs Orphée aux enfers in Amsterdam opgevoerd door een Duits gezelschap. Al snel veroverden ook Weense operettes de harten van het Nederlandse publiek. Operette werd ongekend populair. Op het hoogtepunt kende Nederland, naast professionele gezelschappen als de Fritz Hirsch Operette, ook meer dan honderd amateurverenigingen, veelal ontstaan in de crisisjaren na 1929. Van de vele amateurgezelschappen is er nu nog maar een enkele over. En de Hoofdstad Operette, het enige gesubsidieerde operettegezelschap van Nederland, hield in 2000 op te bestaan. Waar ging het mis?
Lees voor het antwoord op deze vraag het achtergrondartikel.
Interview met Steef de Jong
De wereld waarin we leven, draagt veel schoonheid in zich, maar ook veel ellende. Met fantasie en verbeelding (en operette) kunnen we de wereld een beetje mooier maken, volgens Steef de Jong.
De verbeelding als tegenkracht
In gesprek met Steef de Jong
De wereld waarin we leven, draagt veel schoonheid in zich, maar ook veel ellende. Met onze verbeelding – en operette – kunnen we de wereld een beetje mooier maken, gelooft Steef de Jong.
Steef de Jong is veel: theatermaker, beeldend kunstenaar, zanger, acteur – maar bovenal een gepassioneerd ambassadeur voor de operette. Volgens hem kampt de kunstvorm met een hardnekkig imagoprobleem. Het genre wordt vaak als suf en stoffig gezien, waardoor veel mensen er niet meer naar omkijken. Toch ziet Steef daar ook een voordeel in: “Het mooie aan die vergetelheid is dat je operette opnieuw kunt ontdekken. Het genre wordt gekenmerkt door de knipoog, de kwinkslag, spot en zelfspot – en vooral heel veel plezier. Dat is men alleen een beetje vergeten, en daardoor ook hoe prachtig operettemuziek eigenlijk is.”
Een eigen universum
Met zijn voorstellingen zet De Jong de operette op een geheel eigen en herkenbare manier op het toneel. Vaak zijn dit eenmansoperettes waarin hij in zijn eentje een hele stoet personages tot leven wekt, omringd door kartonnen decors en kostuums die hij zelf ontwerpt en maakt. Zijn ontwerpen doen denken aan pop-upboeken: tafels met bloemenvazen schuiven uit de muur, standbeelden veranderen met één beweging in levende mensen, tweedimensionale figuren worden driedimensionaal. “Wat er allemaal mogelijk is met papier en karton, vind ik zelf nog steeds iets wonderbaarlijks.”
Plukken uit operettes
Operetta Land was bij de première in 2022 De Jongs debuut bij De Nationale Opera. “Dit podium biedt zoveel mogelijkheden, dat het voor mij de ideale plek was om een volledig eigen wereld te verzinnen. Die heb ik Operetta Land genoemd, met een knipoog naar platen met titels als Marco Bakker in Operetteland en Im Land der Operette. Vervolgens ben ik gaan bedenken wie er in dat land zouden kunnen wonen. Een aantal personages heb ik zelf bedacht, andere heb ik rechtstreeks uit verschillende operettes geplukt”
De gebeurtenissen in Operetta Land zijn geïnspireerd door typische ‘operetteproblemen’, zoals onbeantwoorde liefdes en gedaanteverwisselingen. “Der liebe Augustin van Leo Fall, waaruit ik een aantal muzikale nummers heb gehaald, speelt zich bijvoorbeeld af in een failliet land waar het leger in staking is. Die situatie heb ik overgeheveld naar Operetta Land: de koningin wil een bal, maar de staatskas is leeg en de heggenschaarhuzaren – die het land netjes moeten houden – hebben het werk neergelegd. Economische zorgen zijn in het echte leven natuurlijk ernstig, maar in Operetta Land maken we er iets vrolijks en lolligs van. Dat is het mooie van operette: de kunstvorm brengt lucht en humor.”
Vanuit een selectie muziek van onder anderen Johann Strauss II, Gilbert & Sullivan en Carl Millöcker bouwde De Jong de voorstelling op. “Dat was een flinke puzzel, want het moet allemaal precies passen. In Operetta Land hoor je naast een paar echte operetteknallers ook veel minder bekende stukken. Vrolijkheid en opgewektheid worden afgewisseld met nummers waar het sentiment vanaf spat.” Sentiment, benadrukt hij, is iets om te koesteren. “Mensen vinden operette snel over the top of kitsch. Maar wat is er kitsch aan twee mensen die écht verliefd worden? Dat vind ik eigenlijk echter dan echt.”
Groots en meeslepend
Het is geen toeval dat het eigen gezelschap van Steef de Jong, dat hij samen met Ina Veen oprichtte, Groots en Meeslepend heet. Die woorden belichamen wat theater voor hem moet zijn: “Iets dat je intens beleeft, dat je zo meeneemt in het verhaal dat je af en toe openlijk zucht of naar adem snakt. Die kartonnen decors dragen daaraan bij: met elk openvouwen ontstaat een nieuw verrassingseffect.”
Juist in die handgemaakte decors en kostuums schuilt volgens De Jong de kracht van de verbeelding. “Ik zou willen dat mensen in het publiek – kinderen én volwassenen – straks denken: ik ga ook een kasteel maken van een kartonnen doos. Je kunt met heel simpele middelen al een fantasiewereld bouwen. Voor mij is dat een tegenkracht tegen alle ellende in de wereld. Er wordt al zoveel stukgemaakt. Laten we daarom iets máken. Het hoeft niet mooi of perfect te zijn. Uiteindelijk gaat het erom dat je in die zelfgemaakte wereld – op het toneel of daarbuiten – even kunt ontsnappen aan de werkelijkheid.” Dat geldt ook voor Operetta Land: “Een bezoek aan de voorstelling moet een uitje vol vreugde zijn, een tegengif tegen cynisme en somberheid.”
Familievoorstelling
Hoewel Operetta Land een familievoorstelling is, maakt De Jong die niet bewust met kinderen in gedachten. “Wat ik maak, heeft vaak een kinderlijke, verwonderde blik, maar ik richt me nooit specifiek op kinderen of volwassenen. Kinderen komen er vanzelf bij. Het is volgens mij ook niet nodig om kinderen alleen maar kunst te laten zien die speciaal voor hen gemaakt is. De culturele ervaringen die ik me herinner uit mijn jeugd waren juist momenten waarop ik iets zag dat eigenlijk niet voor mij bedoeld was, maar dat ik toch mocht meemaken. Je gaat in een museum ook niet kijken naar schilderijen die alleen voor kinderen zijn gemaakt. Dat zijn gewoon schilderijen.” Bovendien, zegt hij, hebben kinderen een eigen wijsheid: “Ze staan veel opener tegenover dingen dan volwassenen. Ik denk dat een kind het veel makkelijker accepteert als je zegt: en nu wordt dit een paleis.”
Toekomstdroom
Op de vraag naar zijn grote toekomstdroom antwoordt De Jong zonder aarzelen: “Dat is moeilijk, want dit wás mijn droom. Om op zo’n toneel, met zulke mensen en zoveel mogelijkheden zoiets te kunnen maken. Ik ben die droom nu al aan het verwezenlijken. Straks moet ik echt bedenken wat mijn volgende droom wordt. Of misschien begin ik daarna gewoon een winkeltje!”
Tekst: Ewout Ganzevoort
Het verhaal
In deze bijdrage lees je het verhaal van Operetta Land.
Het verhaal
Ga mee naar Operetta Land, een verzonnen land dat alleen bestaat in de fantasie van de Verzinner. In Operetta Land woont een koningin met haar geadopteerde dochter prinses Galathea. Ooit was Galathea een standbeeld in het paleis van Pygmalion, de kwaadaardige koning van buurland Operanië. Toen de godin Venus haar in een mens veranderde, ontsnapte ze aan de grijpgrage handen van Pygmalion en vond een veilig heenkomen in Operetta Land. De koningin droomt van een huwelijk met een rijke prins voor Galathea, maar die weigert pertinent.
De koningin wil niets liever dan een bal organiseren, maar de staatskas is leeg en het personeel staakt. Hofdame Lady Kant heeft een idee: ze laat de komst van de rijke prins Nicola aankondigen, een ideale huwelijkskandidaat voor prinses Galathea. Eén probleem: prins Nicola bestaat niet. Of wel? Graaf Lothar besluit zich als Nicola te verkleden om zo het hart van Galathea te veroveren. Ook koning Pygmalion verkleedt zich als Nicola. En dan meldt, geheel onverwacht, alsnog de échte prins Nicola zich. De verwarring wordt compleet. Maar: in Operetta Land komt het altijd goed. Toch?
Paulien Cornelisse over de teksten van Operetta Land
Ze is bekend om haar boeken en columns over taal, haar romans De verwarde cavia en De verwarde cavia - Terug op kantoor, haar cabaretvoorstellingen en haar televisiewerk. Met Operetta Land schreef ze haar eerste libretto. “Waar ik niet op had gerekend is dat operettemuziek ont-zet-tend in je hoofd blijft zitten.”
‘Alledaags en absurd’
Paulien Cornelisse over de teksten van Operetta Land
Ze is bekend om haar boeken en columns over taal, haar romans De verwarde cavia en De verwarde cavia - Terug op kantoor, haar cabaretvoorstellingen en haar televisiewerk. Met Operetta Land schreef ze haar eerste libretto. “Waar ik niet op had gerekend is dat operettemuziek ont-zet-tend in je hoofd blijft zitten.”
Je werd door Steef de Jong gevraagd om de tekst voor Operetta Land te schrijven. Wat was voor jou de reden om ‘ja’ te zeggen? “Steef belde mij op en vertelde dat hij gevraagd was om een familie-operette te maken voor De Nationale Opera. Hij had wel een verhaal verzonnen, maar hij wilde het zelf niet schrijven. Nu heb ik wel ervaring met dialogen schrijven, en was ik wel geïnteresseerd. Maar... ik had geen tijd, omdat ik zelf aan het toeren was met mijn voorstelling Aanstalten. Toch ging ik een keertje met Steef om de tafel zitten, en het verhaal ging zo leven bij mij, dat ik aan het einde van dat gesprek dacht: dan maak je maar tijd. En zo geschiedde.”
Je staat bekend om je grote gevoel voor taal en je hebt romans geschreven over een cavia die op een kantoor werkt – waarin je het banale en alledaagse wonderlijk maakt. Hoe zien we die achtergrond terug in de tekst voor Operetta Land?
“De gesproken teksten, tussen de liedjes in, zijn geschreven in alledaagse taal. Prinses Galathea zegt bijvoorbeeld tegen de koningin: ‘Mam, serieus?’ Dat is een tekst die ik in mijn eigen dagelijks leven erg vaak hoor. Ik vind het leuk als je een gesprek zou kunnen herkennen uit je eigen leven, al gaat het in Operetta Land dan ineens over stakende heggenschaarhuzaren. Alledaags en absurd passen wat mij betreft perfect bij elkaar.” “Ook houd ik ervan om te schrijven over mensen die met elkaar opgescheept zitten. Dat was bij De verwarde cavia in een kantoorsituatie. Operetta Land speelt zich af aan het hof, eigenlijk ook een soort kantoor, vol met misverstanden en kwesties als ‘wie is hier de baas?’ en ‘Wat wil het heersende gezag van mij?’.”
Wat zijn je ervaringen met opera en operette?
Het voelt inmiddels als vloeken in de kerk, maar ik ben eigenlijk meer een opera-mens. Ik heb veel meer opera’s gezien dan operettes. Maar ik ben natuurlijk ook cabaretier, dus ik vind het ook wel belangrijk dat mensen kunnen lachen. Dus in die zin vind ik dat ik weer wel bij de operette hoor. Concreet kende ik operette vooral van de film Theo en Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium, waarin Marco Bakker ‘Zwei Herzen im Dreivierteltakt’ zingt. Bijzonder memorabel natuurlijk, maar pas door Steefs eerdere voorstellingen, die ik allemaal gezien heb, ben ik de poëzie in de operette gaan zien.
Je hebt ook de gezongen teksten geschreven. Hoe heb je dit gedaan? Wat waren de uitdagingen?
Het was moeilijk, maar vooral heel erg leuk om te doen. Vooral de teksten van Gilbert & Sullivan zijn supersnel, en je moet steeds in de gaten houden waar de uithalen zitten, zodat die ook in het Nederlands op een logisch moment zitten. Waar ik niet op had gerekend was dat operettemuziek ont-zet-tend in je hoofd blijft zitten. Ik moest er op een bepaald moment echt voor waken dat ik na het avondeten niet meer doorwerkte aan Operetta Land, want dan wist ik dat die muziek de hele nacht door zou blijven zingen in mijn hoofd. Dat is de duistere kant van operette.
Operetta Land is een familievoorstelling. Hoe schrijf je een tekst die interessant is voor kinderen én volwassenen?
Nou, ik hoop dat dat gelukt is. Ik heb enerzijds geschreven voor mezelf, en anderzijds nagedacht over wat mijn zoon, die toen bijna acht was, leuk zou vinden. Verder denk ik dat kinderen van acht ironie al goed kunnen begrijpen, en dat mensen van zeventig ook nog best kunnen lachen om een grap over poep.
Hoe is de samenwerking met Steef?
De samenwerking ging echt heel erg soepel. Ik heb het idee dat we elkaar echt versterkten. Steef had bijvoorbeeld bedacht dat er een boze koning in het stuk voor moest komen, en toen zei ik: wat als hij uit een Opera-land komt, in plaats van een Operette-land? Dat is vervolgens een eigen leven gaan leiden. Koning Pygmalion zingt operamuziek die niemand verstaat, en ook bestaat de kans dat het door hem allemaal juist níet goed komt in Operetta Land. Terwijl dat volgens Steef regel één is van alle operette: het komt altijd goed.
Ook was het leuk om door te gaan op Steefs vondsten. Zo is er een personage dat Lady Kant heet – die heb ik stiekem dingen laten zeggen die te maken hebben met de filosofie van Immanuel Kant. Het kan goed dat niemand dat opvalt, dus heb ik het zo geschreven dat je er ook straffeloos overheen kunt luisteren.
Wat was je lievelingsscène om te schrijven?
Ik vond het erg leuk om de flirtscène tussen Galathea en Koning Pygmalion te schrijven. Koning Pygmalion is een slijmbal, en Galathea heeft dat niet helemaal door. Zij moet op een bepaald moment naar de wc, en Pygmalion slijmt: ‘Ik wou dat ik met je mee kon.’ Galathea zegt dan: ‘Nou, ik moet poepen en een nieuwe tampon in doen.’ Ik vond het zelf erg prettig om de tampon eens een rol te geven op het podium van Nationale Opera & Ballet, en verder vind ik het sowieso verfrissend als prinsessen eens zeggen waar het op staat. Ook vond ik het leuk om Steef een kus-scène te geven. Meestal staat hij in zijn eentje op het podium, maar nu is er een mooie prins bij. Nou, dan moet er ook een kus komen, vind ik.
Welk personage heeft je hart gestolen, en waarom?
Oei... moet ik kiezen? Ik houd erg van Graaf Lothar, de gevoelige raadsheer van de koningin van Operetta Land. Hij is erg huilerig en paniekerig, en dat neemt me wel voor hem in. Ook een favoriet van mij is Sir Taki, de vogel van Graaf Lothar, die wordt omgetoverd in een mens. Juist omdat Sir Taki niet echt bij de mensen hoort, kan hij met ironische distantie kijken naar al het aardse gedoe. Ik begrijp ook wel dat hij uiteindelijk weer vogel wil worden.
Wat hoop je dat mensen uit deze voorstelling halen?
Ik hoop dat mensen naar huis gaan en meteen iets gaan knutselen, of zingen, of schrijven. Dat hun creativiteit wordt aangezet. En ik hoop natuurlijk ook dat mensen die het misschien moeilijk hebben, zich eventjes wat beter voelen. Operetta Land is feel good. Steef heeft eens tegen mij gezegd: ik geloof dat er in vrolijkheid evenveel gelaagdheid en diepgang zit als in verdriet. Dat vind ik een mooie gedachte, en daarom bevat het slotlied ook de tekst: ‘licht, lucht en vreugde hebben óók eeuwigheid’. Laat de mensen dat maar mee naar huis nemen.
Tekst: Laura Roling
Tijdlijn
Van de voorlopers van operette tot en met de hoogtijdagen van het genre.
Tijdlijn
Operette: een beknopt overzicht
De voorlopers van operette
Niets komt zomaar uit het niets, en dat geldt ook voor de operette. Na het ontstaan van de opera in de tweede helft van de zestiende eeuw in Italië, ontstonden er al snel ook luchtigere vormen van muziektheater, zoals de ‘opera buffa’ in Italië, het ‘Singspiel’ in Duitsland en de ‘opéra comique’ in Frankrijk. Deze kunnen, als ‘lichtere’ varianten van de opera, als voorlopers van de operette beschouwd worden.
Jacques Offenbach
Operette als kunstvorm ontstond pas écht in 1855, toen de Franse componist Jacques Offenbach zijn eigen Théâtre des Bouffes-Parisiens oprichtte. Hij schreef in zijn leven meer dan honderd operettes, waaronder blijvende successen als Orphée aux Enfers (1858), La belle Hélène (1864), La vie Parisienne (1866), La Périchole (1868) en Les brigands (1869). Zijn werken waren een groot succes in het Parijs van het Tweede Franse Keizerrijk (Second Empire). Het was een tijd waarin de stedelijke elite en de bourgeoisie geld te besteden hadden en zich graag verzetten tegen de macht en de heersende moraal. Offenbach voorzag in die behoefte met werken die doorspekt waren met parodistische en satirische elementen. De bourgeoisie zag zichzelf op vloeiende, opgewekte melodieën op de hak genomen worden.
Wenen: het ‘Gouden Tijdperk’
Vanuit Parijs sloeg de operette over naar Wenen, een stad die al snel uitgroeide tot een belangrijk tweede epicentrum voor operette. In 1860 ging er voor het eerst een product van eigen Weense bodem in première: Das Pensionat van Franz von Suppé, waarin de invloed van Offenbach nog duidelijk te horen was. De Weense operette kreeg pas echt een eigen gezicht toen Johann Strauss II, de koning van de wals, zich met het genre bezig ging houden: zijn Die Fledermaus (1874) werd een van de populairste operettes aller tijden. Een gouden tijdperk brak aan voor de Weense operette, waarin meer plaats was voor ‘walsromantiek’ en de maatschappijkritiek wat indirecter werd.
Wenen: het ‘Zilveren Tijdperk’
Toen na de Weense operettegrootmeesters Franz von Suppé, Carl Zeller en Johann Strauss II ook Karl Millöcker overleed – op 31 december 1899 – werd de Weense operette ‘doodverklaard’. Lang bleef de kunstvorm echter niet in zijn graf. Al in 1905 werd met de première van Franz Lehárs Die lustige Witwe een tweede bloeiperiode ingeluid. Naast Lehár kende het zogenaamde ‘zilveren tijdperk’ van de Weense operette componisten als Oscar Straus, Leo Fall en Emmerich Kálmán. Hun operettes bleven niet in nostalgie hangen, maar omarmden de moderniteit: treinen, restaurants en bioscopen komen voor in hun werken, maar ook voor reflecties op het kapitalistische systeem was ruimte, zoals in Leo Falls Die Dollarprinzessin, waarin de romance van een verarmde Europese aristocraat en een Amerikaanse miljonairsdochter centraal staat.
Berlijn
Toen het ‘gouden tijdperk’ van de Weense operette voorbij leek, ontstond in 1899 de Berlijnse operette, met de première van Paul Linckes Frau Luna. De wals verdween hierin naar de achtergrond, de mars naar de voorgrond. De Berlijnse operettes van componisten als Paul Abraham en Walter Kollo werden – net als de Weense – gekenmerkt door een sterke ‘couleur locale’: ze werden uitgevoerd in het Berlijnse dialect en reflecteerden op het leven in de grote stad. Ook was het format van de revue-operette, waarin het showelement centraal stond, typisch Berlijns.
Groot-Brittanië
In Groot-Brittanië zijn twee namen onlosmakelijk verbonden met de operette: die van librettist William S. Gilbert (1836-1911) en componist Arthur Sullivan (1842-1900). Gilbert en Sullivan leunden aanvankelijk sterk op de operette die uit het Parijs van Offenbach over was komen waaien, maar ontwikkelden al snel een geheel eigen stijl. Vooral een typisch Brits gevoel voor humor speelde in hun werken een belangrijke rol. Ook zaten de operettes vol met toespelingen op Britse actualiteiten en situaties.
Interview met dirigent Aldert Vermeulen
Dirigent Aldert Vermeulen heeft in Operetta Land de leiding over de musici van het Nederlands Kamerorkest. Een gesprek over precisie, finesse en de verschillende operettetradities die in de voorstelling terugkomen.
‘Samen zweven, dat is het doel’
Interview met dirigent Aldert Vermeulen
Dirigent Aldert Vermeulen heeft in Operetta Land de leiding over de musici van het Nederlands Kamerorkest. Een gesprek over precisie, finesse en de verschillende operettetradities die in de voorstelling terugkomen.
Hoeveel ervaring heb je met operette?
“Toch wel wat. Ik heb door de jaren heen bijvoorbeeld drie producties gedaan van de operette Die lustige Witwe van Franz Lehár, voor mij een van de ultieme operettes. En ik heb veel nieuwjaarsconcerten gedirigeerd over de hele wereld, van Hong Kong tot Groningen, en dan is operette ook vaste prik op het repertoire.”
Is operette moeilijk om te dirigeren?
“Je zou het misschien niet verwachten, maar operette is een van de moeilijkste dingen om te dirigeren. De muziek is zo fluïde en helder dat je het meteen hoort als het niet lekker loopt. In die zin is het net zoals het dirigeren van Mozart: je moet heel precies zijn, zelfs als je vrijheden neemt. Neem bijvoorbeeld het veelvuldige gebruik van rubato, waarbij je vrijer kunt fraseren. Dan moeten wel alle neuzen in het orkest precies dezelfde kant op staan, want anders klinkt het rommelig. Het effect dat je wilt bereiken is dat je in de walsen samen gaat zweven en even niet aan de grond bent. Natuurlijk, je kunt een wals ook uitvoeren à la ‘hoempapa’ hoempapa’, maar wat zo mooi is aan operette is dat er zo ontzettend veel finesse en geraffineerdheid in de verschillende walsen zit. Die moet je eruit halen als dirigent.”
Voor Operetta Land zijn veel teksten hertaald in het Nederlands. Wat is de uitdaging aan zingen in het Nederlands?
“Ik denk dat de grootste uitdaging is dat het zo zelden gebeurt, klassieke zang in het Nederlands. Zangers zijn er niet meer in geoefend. Voor de oorlog werden opera’s vaak in een Nederlandse hertaling uitgevoerd, maar die traditie is nu echt wel uit ons systeem. Voor het Duits zijn er vaste methodieken om bijvoorbeeld tweeklanken en medeklinkers te zingen. Die zijn er voor het Nederlands eigenlijk niet. Daarom gebruiken we de Duitse aanvliegroute, maar met de nodige aanpassingen: een Nederlandse tweeklank ‘ij’ moet je als zanger toch echt anders plaatsen dan een Duitse ‘ei’.”
“Wat heel erg helpt is dat de Nederlandse teksten steengoed zijn. Ze passen qua klank precies op de muziek en voelen heel natuurlijk. Als ik Elenora ‘Dit is mijn hart’ hoor zingen, dan vergeet ik gewoon dat het een hertaling van een Duits lied is. Het klinkt alsof het zo, in het Nederlands, bedoeld is.”
Marijn van Prooijen heeft voor Operetta Land arrangementen gemaakt. Wat heeft hij precies gedaan?
“We spelen heel veel origineel, zoals het door de componisten zelf is georkestreerd. Misschien wel zo’n 80 à 90 procent. Wel hebben we één vaste orkestbezetting voor de hele voorstelling. Marijn heeft de bezettingen daarom hier en daar wat naar elkaar toe getrokken. Daarnaast heeft hij overgangsmuziek gecomponeerd op basis van bestaande muziekselecties. Op die muziek kunnen er scènewisselingen gedaan worden of melodrama, waarbij er over de muziek gesproken wordt. Het is dan belangrijk dat de muziek de intentie van de gesproken tekst weerspiegelt.”
Operette was heel lang een geliefd genre in Nederland, vooral in het amateurcircuit. Overal in het land waren actieve operetteverenigingen, tot zo’n twintig jaar geleden. Heb jij enig idee wat er gebeurd is?
“Ik denk dat de ensceneringen en de ideeën over het verwezenlijken van operette op een bepaald moment simpelweg niet meer aansloten bij een nieuwe generatie. De manier waarop operette gedaan werd stond sterk in een bepaalde traditie van net na de oorlog. Men is die traditie heel lang blijven voortzetten, en daarmee is operette vanzelf iets ouderwets en nostalgisch geworden. Maar dat hóeft natuurlijk niet.”
Zou je Operetta Land omschrijven als een werk met ‘greatest hits’ uit het operetterepertoire?
“Nee, volstrekt niet. Alleen ‘Dunkelrote Rosen’ is een evergreen, maar dat is het dan ook wel. Steef heeft vooral de meer onbekende stukken geselecteerd uit verschillende tradities en landen. De muziek van Gilbert & Sullivan is in Groot-Brittanië heel populair geweest, maar heeft op het vasteland van Europa nauwelijks voet aan de grond gekregen. Daarnaast hebben we muziekselecties uit operettes van Offenbach. Die muziek staat heel sterk in de Franse traditie, waarin de tekst en de declamatie ervan heel belangrijk was; de melodieën werden daaromheen geschreven. De Weense operettes zijn harmonisch weer veel rijker. Ik vergelijk het Franse en het Weense repertoire weleens als volgt: Franse operette heeft een heel sterk geraamte, terwijl de Weense operette heel veel vlees op de botten heeft.”
Wat denk je dat Operetta Land voor operette kan betekenen?
“We gebruiken natuurlijk veel operettemuziek in Operetta Land, maar ik zie de voorstelling niet zozeer als een nieuwe operette. Het is eerder een operette óver operette, met heel veel humor. Wat ik wel hoop is dat mensen benieuwd worden naar het genre. Operette staat bekend als licht en luchtig, maar ook in die lichtheid zit gelaagdheid en diepte. In de Weense operette hoor je bijvoorbeeld heel sterk dat onder de vrolijkheid ook een onderstroom van melancholie zit, en daarin schuilt voor mij ook de schoonheid van het genre.”
“Operettes waren van origine ook heel maatschappijkritisch. Neem bijvoorbeeld de operettes uit de nadagen van het Habsburgse Rijk, waarin het logge en bureaucratische overheidsapparaat vaak op de hak wordt genomen. Je treft in die operettes ambtenaren die eigenlijk niets doen. Wat dat betreft heeft de humor van operette ook iets tijdloos: dit soort dingen herkennen we natuurlijk ook vandaag nog. Operette is niet plat of oppervlakkig, en de humor hoeft zeker niet gedateerd te zijn. Ik hoop daarom vooral dat Operetta Land naar meer zal smaken.”
Tekst: Laura Roling
De muziek van Operetta Land
De muziek van Operetta Land
Verzinnen vind ik fijn
‘A wandering minstrel’
The Mikado (1885)
William S. Gilbert & Arthur Sullivan
Ik ben de koningin-regent
‘Ich bin im Land der Herr Regent’
Der liebe Augustin (1912)
Leo Fall
Dit is mijn hart
‘Ich schenk’ mein Herz’
Die Dubarry (1879)
Carl Millöcker
Waar ben jij kleine vriend?
‘J’ai perdu mon ami’
L’île de Tulipatan (1868)
Jacques Offenbach
Wij eisen ons salaris
‘Wir wollen uns’re Gage’
Der liebe Augustin (1912)
Leo Fall
Vraag niet ‘wat’, ‘waarom’ en ‘hoe dan’
‘Never mind the why and wherefore’
H.M.S. Pinafore (1878)
William S. Gilbert & Arthur Sullivan
Vous qui faites l’endormie*
Faust (1859)
Charles Gounod
* Geen operette (gezongen door Pygmalion)
Ik en mijn heggenschaar
‘Ich bin der Prodekan’
Der Vogelhändler (1891)
Carl Zeller
Hoera, hoera, straks hebben we weer geld
‘Heut’ Nacht, nach Acht’
Der liebe Augustin (1912)
Leo Fall
Donkerrode rozen
‘Dunkelrote Rosen’
Gasparone (1884)
Carl Millöcker
Mijn beste graaf, we gaan nu naar het bal toe
‘Le conquérant dit à la jeune indienne’
La Périchole (1868)
Jacques Offenbach
Lass dir Zeit
Der liebe Augustin (1912)
Leo Fall
Weledele dames en heren
‘Verehrteste Damen und Herren’
Die lustige Witwe (1905)
Franz Lehár
Een oester misschien?
‘Die Austern wie fein!’
Das Spitzentuch der Königin (1880)
Johann Strauss II
Welch tiefes Rätsel ist die Liebe
Giuditta (1934)
Franz Lehár
Leve de prins
Finale tweede akte: ‘Heil unser’m Land, dem König Heil’
Das Spitzentuch der Königin (1880)
Johann Strauss II
Le veau d’or*
Faust (1859)
Charles Gounod
* Geen operette (gezongen door Koning Pygmalion)
Lief, kom eens hier
Vervolg finale tweede akte
Das Spitzentuch der Königin (1880)
Johann Strauss II
Essay: Waar ging het mis met de operette in Nederland?
Nederlanders kunnen enorme snobs zijn als het om operette gaat. Dat klinkt misschien wat hard, maar de meeste operaliefhebbers houden zich het liefst verre van het genre, alsof een voorstellingsbezoek hun sociale aanzien zou kunnen aantasten. En de rest van de samenleving laat de kunstvorm al helemaal links liggen. De heersende overtuiging is dat operette alleen iets is voor bejaarde amateurs, een wereldvreemd en tenenkrommend genre.
Waar ging het mis met de operette in Nederland?
Nederlanders kunnen enorme snobs zijn als het om operette gaat. Dat klinkt misschien wat hard, maar de meeste operaliefhebbers houden zich het liefst verre van het genre, alsof een voorstellingsbezoek hun sociale aanzien zou kunnen aantasten. En de rest van de samenleving laat de kunstvorm al helemaal links liggen. De heersende overtuiging is dat operette alleen iets is voor bejaarde amateurs, een wereldvreemd en tenenkrommend genre.
In het buitenland kijkt men daar heel anders tegenaan. Zo is er de gevierde Australische regisseur Barrie Kosky, die aan de Komische Oper in Berlijn de joodse jazz-operette uit de jaren 1920 nieuw leven inblies, met performers als Dagmar Manzel en Max Hopp. Zij zijn geen operazangers, maar briljante karakterspelers die de voor operette minstens zo belangrijke gesproken dialogen met spitsvondige dubbelzinnigheden brengen. Aan diezelfde Komische Oper waren er ook drag-ensceneringen van operettes, met de Zwitserse acteur Christoph Marti in Nico Dostals Clivia en Paul Abrahams Roxy. Het uitgesproken politieke Gorki Theater in Berlijn programmeerde de operette Alles Schwindel uit de jaren 1930, over de valkuilen van hedendaags daten – een hit die tot de uitbraak van de coronapandemie seizoenenlang gespeeld werd. En er was in het commerciële circuit de succesvolle, uiterst eigentijdse Operette für zwei schwule Tenöre. Daarnaast is er het collectief tutti d*amore dat operette in hippe technoclubs als Kater Blau in Berlijn brengt, voor een jong publiek. Van München tot Hamburg en verder kreeg hun succesformule navolging.
In het Verenigd Koninkrijk presenteert regisseur Sasha Regan ondertussen al meer dan tien jaar Gilbert & Sullivan-operettes in all-male versies, met aantrekkelijke, gespierde acteurs met wisselende hoeveelheden kleding. En in New York bracht de non-binaire kunstenaar Mur in 2024 een nieuwe operette uit, G (naar de drug GHB), die lovende kritieken kreeg. De foyer hing vol tekeningen van fallussen; in de operette volgde het publiek de belevenissen van uitgesproken anti-heteronormatieve personages tijdens een uitzinnige nacht vol hallucinaties. En dan hebben we het nog niet eens over de vele boeken, tentoonstellingen, tv-documentaires en historische filmfragmenten op YouTube die het genre in de afgelopen 25 jaar verder hebben ontsloten.
Operettes zijn op uiteenlopende manieren geanalyseerd: als ‘porno’ – niemand minder dan Johann Strauss II maakte erotische illustraties en schreef expliciete brieven waarin hij zijn muziek omschrijft als seksueel overdraagbare aandoeningen; als politiek fenomeen met een naziverleden; als spiegel van een voortdurend veranderende samenleving; maar bovenal als bron van subversief plezier. Alleen in Nederland lijken deze ontwikkelingen nauwelijks weerklank te hebben gevonden. Waarom?
Moreel gevaarlijk
Toen de operette voor het eerst commercieel doorbrak, in de jaren 1850 en 1860 in Parijs, en zich als een lopend vuurtje verspreidde naar Londen, New York, Berlijn, Wenen en zelfs tot in Australië, Zuid-Amerika en Afrika, werd de kunstvorm door tijdgenoten bestempeld als ‘moreel gevaarlijk’. Er was naaktheid, veel van Jacques Offenbachs actrices waren door de politie geregistreerde sekswerkers, en Émile Zola beschreef de Parijse operettetheaters in zijn roman Nana als “bordelen” (wat ze in feite ook waren). Operette was vermaak voor de rijken, die zich niets gelegen lieten liggen aan burgerlijke moraal en fatsoen. Integendeel: ze hunkerden juist naar een vorm van amusement die alle conservatisme en kerkelijk opgelegde ‘nonsens’ belachelijk maakte.
Zo werd er in de operette veel gedaan aan genderbending (vrouwen als mannen, en mannen als vrouwen), en in Offenbachs L’île de Tulipatan uit 1868 vinden we zelfs een discussie over een huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht, in een periode waarin het begrip ‘homoseksualiteit’ geïntroduceerd werd. Ook verschenen er op de podia, voor het eerst, mannelijke idolen om een vrouwelijk publiek te lokken, wat op zijn beurt weer mannelijke bezoekers aantrok. De performers hoefden niet goed te kunnen zingen of acteren, zolang ze er maar verleidelijk uitzagen. Operette was in deze periode waanzin en een omkering van alle orde, op het toneel en daarbuiten. Niets werd serieus genomen, zeker morele grenzen niet. Dat maakt deze vroege operettes – achteraf gezien – juist ongelooflijk modern.
Afgezwakte versies
In Nederland werden deze vroege operettes van Offenbach en collega’s alleen in afgezwakte versies, ontdaan van alle uitbundigheid en seksualiteit, gespeeld. Een criticus van de Amsterdamsche Courant prees in 1862 de “aaneenschakeling van geestige zetten en koddige tonelen”. Operette werd opgevat als “kleine opera” en de “excentriek-geniale Offenbach” werd door mensen als M.B. Mendes da Costa in zijn Toneel-herinneringen uit 1900 vergeleken met Mozart.
Dat staat in schril contrast met het oordeel van een New Yorkse recensent van de Tribune die in 1868 schreef dat Offenbachs Geneviève de Brabant “de weerzinwekkendste hoop vuiligheid was die ooit op de planken van een fatsoenlijke amusementszaal in deze stad is verschenen”. Hij noemde het werk niet alleen “ongepast”, maar ook “krioelend in een lage diepte, ver beneden het niveau van fatsoen”. Hij waarschuwde: “Geen dame kan ernaar kijken zonder haar reputatie op het spel te zetten, en geen respectabel persoon kan ernaar kijken zonder zich door het schouwspel vernederd te voelen.” Vanzelfsprekend was deze (Franstalige!) voorstelling in New York in een mum van tijd volledig uitverkocht.
In Nederland liep dat anders. Een Orpheus in de Onderwereld in Amsterdam – uitgevoerd door Offenbachs eigen Bouffes Parisiennes-gezelschap – trok nieuwsgierige toeschouwers, maar mensen die een ‘reputatie’ hoog te houden hadden, durfden zich er niet te vertonen. Er was in Nederland simpelweg geen elite die lak had aan fatsoensnormen. Zo zat de Nederlandse samenleving niet in elkaar.
Made in Vienna
Toen operette later op grotere schaal naar Nederland kwam, met minstens veertig verschillende reizende gezelschappen uit het buitenland, was dat in een heel andere gedaante van het genre, dat inmiddels was getransformeerd tot massavermaak: een familievriendelijke variété, ‘made in Vienna’, vol nostalgie en sierlijke walsen. Dat was iets waar het middenklassepubliek – inclusief ‘de dames’ – in Amsterdam en daarbuiten zich in kon vinden, want een ster als Beppie de Vries was geen femme fatale zoals Hortense Schneider in Parijs of Marie Geistinger in Wenen. Ze vormde geen bedreiging voor het systeem, leidde geen echtgenoten op het verkeerde pad en gaf geen ‘slecht voorbeeld’ aan vrouwen om zich af te zetten tegen het patriarchaat.
Polderoperette
Een van de belangrijkste operette-impresario’s in Nederland was Fritz Hirsch, een Duitser die in de jaren twintig en dertig voorstellingen bracht als An der schönen blauen Donau en Wien, Wien, nur du allein. Hij haalde ook enkele van de grote, meer hedendaagse successen naar Nederland, maar dan in sterk afgezwakte ‘polderversies’. Zelfs de jazzy kaskraker Im weißen Rössl van het Großes Schauspielhaus Berlin (gecreëerd door de flamboyant homoseksuele toneel- en filmregisseur Erik Charell) werd in Nederland met Johan Heesters opgevoerd als puur escapisme, in een Alpensetting: onschuldig en zonder enige queer ondertoon. Deze voorstellingen waren niet representatief voor het glamoureuze en disruptieve operettegenre zoals dat elders in de wereld te beleven viel.
De nazi’s dachten de Nederlanders tijdens de bezetting te laten zien wat volgens hen ‘echte’ operette was, en brachten operasterren uit Duitsland om in 1942 in het Deutsches Theater in den Niederlanden Der Zigeunerbaron op te voeren als een ideale ‘arische’ operette. Alle namen van de Joodse co-auteurs waren van het affiche geschrapt en de erotische kant van Strauss werd zorgvuldig weggemoffeld, onwaardig geacht voor zo’n meester. De Nederlandse pers prees de muzikale superioriteit van de partituur, die ten gehore werd gebracht als een soort semi-opera. Het applaus was minder enthousiast toen een jaar later de hedendaagse Schlageroperette Clivia van Nico Dostal werd gebracht (uiteraard zonder een dragqueen als Christoph Marti). Nederlandse critici vonden de vlotte dansdeuntjes beneden hun niveau. En daarna, na de oorlog, keerde men terug naar de Fritz Hirsch-traditie van geparfumeerde driekwartsmaten, voortgezet door de Hoofdstad Operette tot aan de eeuwwisseling, toen de Nederlandse overheid de stekker eruit trok en zei: genoeg. Geen belastinggeld meer voor kunst die zo’n onbetekenend provincialisme belichaamde.
Onderzoek
Toen de Hoofdstad Operette ophield te bestaan, werd het genre overgelaten aan amateurs. De pers en de meeste toeschouwers namen niet de moeite om zich af te vragen of er misschien toch iets nieuws te ontdekken of opnieuw te onderzoeken viel. De eerder genoemde ontwikkelingen elders in de wereld vanaf de jaren 2010 gingen volledig aan Nederland voorbij, terwijl de Nederlanders doorgaans toch graag volgen wat er internationaal gebeurt.
De eindeloze reeks boeken, zoals Laurence Senelicks Jacques Offenbach and the Making of Modernity of feministische benaderingen als Micaela Baranello’s The Operetta Empire, om nog maar te zwijgen van titels als Operette im Dritten Reich of Popular Musical Theater Under Socialism, bleven buiten de boekenrubrieken en cultuurpagina’s van de grote Nederlandse kranten. Toen Katja Zaich – een onderzoeker die in de buurt Amsterdam woont – in 2001 haar Ich bitte dringend um ein Happyend publiceerde, over Duitse operettesterren in ballingschap in Nederland in de jaren 1933-1945, werd ook dat boek met desinteresse ontvangen. Alsof amusement en de Holocaust een ondenkbare combinatie zouden zijn. In al die jaren organiseerde het Theatermuseum Amsterdam slechts één (!) conferentie gewijd aan operette, in 2008, maar nooit een tentoonstelling – terwijl er een enorme collectie bestaat die precies laat zien wat er in de loop der decennia in Nederland gebeurde, ook tijdens de nazi-bezetting.
In 2009 bracht Opera aan het IJ in Amsterdam de Europese première van de moderne operette The Beastly Bombing: A Terrible Tale of Terrorists Tamed by the Tangles of True Love van de Amerikanen Julien Nitzberg en Roger Neill. Vrijwel de hele Europese pers schreef over die productie, als een belangrijk werk dat inging op de ‘War on Terror’ die de wereld toen in zijn greep hield. Nederlandse christelijke journalisten reageerden verontwaardigd op een homoseksuele Jezus die in de voorstelling een dansje waagde met een krankzinnige Amerikaanse president. De rest van de Nederlandse pers beschouwde Beastly Bombing vooral als een aberratie, hoogstens een cabaretstuk, of een musical die anders was dan de producties van Joop van den Ende – maar zeker geen operette ‘zoals wij die kennen’. Daarna viel de operette in Nederland opnieuw in een diepe slaap.
Steef de Jong
En toen was daar Steef de Jong. Deze jonge kunstenaar is een fenomeen: hij grijpt terug op de nostalgische ‘Weense’ traditie die in Nederland voorgoed met het genre lijkt te zijn verbonden, maar deconstrueert deze radicaal met zijn antirealistische kartonnen aanpak. Omdat hij geen operazanger is, brengt De Jong de muziek en dialogen bovendien met een tongue-in-cheekstijl die de operette haar zo wezenlijke ondertoon van slapstickwaanzin teruggeeft – heel dicht bij het origineel van Offenbach. Hij laat het Nederlandse publiek zien dat operette mooi, grappig en fris kan zijn. En ja, ook queer: ook Operetta Land omarmt deze historische dimensie van het genre. Zo wordt de Koningin vertolkt door bariton Raoul Steffani, graaf Lothar door sopraan Laetitia Gerards, en wordt de Verzinner verliefd op een mysterieuze prins.
In Wenen nodigde Lotte de Beer, de intendant van de Volksoper, Steef de Jong uit om zijn interpretatie van Weense titels te tonen aan een écht Weens publiek. Het jongere publiek omarmde het, want De Jong legt moeiteloos verbinding met populaire cultuur. Omdat alles wat hij doet zo vanzelfsprekend queer is, gaf De Beer hem de kans om in 2026 Franz Lehárs homo-erotische meesterwerk Der Zarewitsch te regisseren bij de Volksoper – een werk dat geschreven werd voor Richard Tauber en het verhaal vertelt van een Russische prins die geen vrouwen kan uitstaan, tot hij verleid wordt door iemand die als man verkleed is.
Zal Operetta Land – en de lovende kritiek die het werk nu al oogst – helpen om de Nederlandse snobistische houding tegenover operette in de toekomst te overwinnen? Feit is dat de productie bij de premièrereeks in 2022 op een groot enthousiasme van jonge bezoekers kon rekenen – bezoekers die het genre met een nieuwsgierigheid en frisheid kunnen benaderen, zonder de ballast van de naoorlogse uitvoeringstradities. Juist in dat open speelveld ligt misschien wel de grootste kans voor de toekomst.
Tekst: Kevin Clarke
Dr. Kevin Clarke studeerde muziekwetenschap in Berlijn en Milaan. Hij leidt het Operetta Research Center en publiceerde talrijke boeken en artikelen over de geschiedenis, uitvoeringspraktijk en seksuele politiek van de operette. Onlangs verscheen onder zijn redacteurschap Glitter and Be Gay Reloaded: Die authentische Operette und ihre schwulen Verehrer, waarvoor Wiener Volksoper-intendant Lotte de Beer een bijdrage schreef over het werk van Steef de Jong.
Cast
Altijd weten wat er speelt
Ontvang onze video’s en backstage beelden in je inbox en lees als eerste over onze nieuwe programmering.
Gelukt!
Vanaf nu ontvangt u updates over onze voorstellingen.
Something went wrong
Something went wrong, please try again later. Apologies for the inconvenience.