De Nationale Opera presenteert

Castor et Pollux Jean-Philippe Rameau (1683-1764)

Deze productie was te zien in januari 2008

CASTOR ET POLLUX

Jean-Philippe Rameau
Tragédie-lyrique en cinq actes et un prologue
Libretto van Pierre-Joseph Bernard
Wereldpremière 24 oktober 1737, Académie royale de musique, Parijs

 

DEZE PRODUCTIE

Nieuwe productie
Première 18 januari 2008

Over de opera

Rameau behoort tot de vooraanstaande figuren van de Franse muziekgeschiedenis en geldt naast Lully en Gluck als de belangrijkste muziekdramaticus van vóór de Revolutie. Het mythologische verhaal over de tweelingbroers Castor en Pollux – de een sterfelijk, de ander goddelijk – wordt met de destijds vereiste strijd- en onderwereldtonelen verbeeld. Tegenover het broederpaar staan de zusters Télaïre en Phébé, die door hun liefde voor Castor, respectievelijk Pollux in een onderlinge strijd verwikkeld zijn. Het gaat echter niet zozeer om liefde, wraak of jaloezie: de bereidheid van Castor en Pollux om voor het welzijn van de ander het eigen geluk te laten varen, staat centraal. Ter verpozing bedoelde divertissementen zijn met grootse tableaus in de handeling geïntegreerd. Getroffen door hun onzelfzuchtige liefde maakt Jupiter de broers aan het slot allebei onsterfelijk en laat hen als sterrenbeeld aan de hemel voortleven.

Het verhaal

I
Aan het hof van Sparta. Hoewel zij van de sterfelijke Castor houdt, staat Télaïre op het punt met diens onsterfelijke tweelingbroer Pollux te trouwen. Castor beantwoordt haar gevoelens. Hij besluit vrijwillig in ballingschap te gaan, maar Pollux hoort dit en ziet omwille van zijn broer af van het huwelijk. De jaloerse Phébé laat het paleis aanvallen en wil Télaïre laten ontvoeren. In het gevecht sneuvelt Castor.

II
De Spartanen bereiden de uitvaart van Castor voor. Télaïre is diep bedroefd. Phébé biedt haar toverkunsten aan om Castor uit de dodenwereld terug te halen mits Télaïre hem aan haar afstaat. Pollux wreekt de dood van zijn broer en biedt Télaïre zijn liefde aan. Zij haalt hem echter over zijn vader, de god Jupiter, te smeken dat Castor weer mag leven.

III
In de tempel van Jupiter bereidt Pollux een offer voor en hij bidt tot de godheid, die even later neerdaalt. Jupiter willigt het verzoek in op voorwaarde dat Pollux Castors plaats inneemt. Hébé, godin van de eeuwige jeugd, toont Pollux wat hij opgeeft, maar hij volhardt in zijn voornemen.

IV
Bij de ingang van de onderwereld roept Phébé geesten en monsters op om Pollux tegen te houden, maar met de hulp van Mercure weet hij toch door te dringen. Op de Elysische velden proberen gelukkige geesten Castor tevergeefs op te vrolijken, want hij is diep ongelukkig. Als Castor en Pollux elkaar zien, volgt een hartelijke begroeting tussen de twee broers. Castor weigert het offer van Pollux te aanvaarden; uiteindelijk stemt hij ermee in dat hij naar Télaïre terugkeert, maar slechts voor één dag. Daarna zal hij teruggaan naar het dodenrijk en Pollux weer laten leven.

V
In Sparta is Castor voor even herenigd met Télaïre, maar alleen om voor altijd afscheid te nemen. Haar smeekbeden halen niets uit. Voorafgegaan door donder en bliksem daalt Jupiter op zijn adelaar neer om Castor van zijn eed te bevrijden en hem de onsterfelijkheid te schenken. De tweelingen worden vereend en krijgen als sterrenbeeld een plaats in de dierenriem.

Team, Cast en Koor

Muzikale leiding 
Christophe Rousset
Regie 
Pierre Audi
Decor en kostuums 
Patrick Kinmonth
Licht 
Jean Kalman
Choreografie 
Amir Hosseinpour
Orkest 
Les Talens Lyriques
Koor 
Koor van De Nederlandse Opera
Instudering koor 
Martin Wright
Télaire 
Anna Maria Panzarella
Phébé 
Veronique Gens
Cléone / Suivante d´Hébé / Ombre heureuse 
Judith van Wanroij
Castor 
Finnur Bjarnason
Pollux 
Henk Neven
Jupiter 
Nicolas Testé
Le Grand Prêtre / Une autre voix 
Thomas Oliemans
Un Spartiate / Mercure / Un athlète / Une voix 
Anders J. Dahlin
    do 23 jan Kasper Jansen, NRC Handelsblad

    'De broederliefde, prachtig verbeeld door een stevig zingende Henk Neven (Pollux) en de lichte tenor Finnur Bjarnason (Castor) zegeviert uiteindelijk. Jupiter schenkt hen het eeuwige leven. Dat gaat op tragische wijze ten koste van de zusters Télaïre (een intens zingende Anna Maria Panzarella) en rivale Phébé (Véronique Gens). De voor Pierre Audi zo typerende mythische en tijdloze enscenering speelt zich af in wonderschone, met goddelijk gouden licht gevulde etherische ruimten die in elkaar overlopen. Ze symboliseren de complexe harmonie der sferen, maar zijn ook streng gescheiden. Veel in deze voorstelling met perfectionistisch gepositioneerde personages is klassiek, classicistisch en afstandelijk. Maar de expressieve en beeldende muziek van Rameau is vol emotie en contrasten, voortreffelijk uitgevoerd door het 'authentieke' orkest Les Talens Lyriques van Christophe Rousset. [...] Rameau integreert in zijn stuk het commentariërende Grieks-klassieke koor, hier voortreffelijk zingend vanuit de orkestbak, en de dans, sinds Lodewijk XIV en zijn hofcomponist Lully een verplicht onderdeel van de Franse opera. Hier is het een hoekige en energieke mengeling van Kabuki en Ausdruckstanz, die de handeling weerspiegelt.'

    do 23 jan Roland de Beer, De Volkskrant

    'Je ziet hoe spiegels en witte megaschermen al stijgend en dalend een neomythisch Nergensland markeren, en het aardse van een onderwereld scheiden. Je ziet een vanuit de orkestbak oplopende catwalk, waarlangs de ene magnifieke sopraan (Anna Maria Panzarella als Télaïre, 'dochter van de zon') de andere magnifieke sopraan (Véronique Gens als prinses Phébé) uit het licht verdrijft. Je ziet met lila strijklicht overgoten Elyzeese velden, waar een gesneuvelde Castor (Finnur Bjarnason, nobele tenor) wordt afgelost door een nog levende, niet minder nobele Pollux (de Nederlandse bariton Henk Neven, een revelatie). [...] Deze Rameaupremière is een feest van de beeldesthetiek. [...] De verdienste van choreograaf Hosseinpour is dat hij de ontsteltenis van een verstoten prinses en de dreiging van een club demonen wel kan omzetten in theatrale of commentariërende beweging van het danspersoneel. [...] Audi had de ingeving het Operakoor buiten de handeling te houden. Hij parkeerde het in de bak, waar het voortreffelijk werk doet [...]'

    do 23 jan Eddie Vetter, De Telegraaf

    'Voor dit half menselijk, half kosmisch drama heeft Patrick Kinmonth een abstracte witte ruimte gecreëerd met een geometrisch lijnenspel dat enigszins aan het Atomium in Brussel doet denken. [...] In dit intrigerende toneelbeeld verplaatsen de personages zich subtiel gestileerd in prachtig tijdloze, eveneens door Kinmonth ontworpen gewaden. Pierre Audi streeft in zijn regie naar een fijnzinnige psychologie waarbij menselijke tragedie en kosmisch drama geleidelijk samenvallen.'