De Nationale Opera presenteert

SIEGFRIED Richard Wagner (1813–1883)

Deze productie was te zien in juni 1998

Der Ring des Nibelungen
Ein Bühnenfestspiel für drei Tagen und einen Vorabend
Tekst en muziek van Richard Wagner

SIEGFRIED

Zweiter Tag
Wereldpremière 16 augustus 1876, Festspielhaus, Bayreuth

Deze productie

Nieuwe productie
Première 1 juni 1998

Het verhaal

Sinds de vorige Ring-dag heeft Brünnhilde liggen slapen op de Walküren rots. De door haar geredde Sieglinde heeft een kind gebaard, maar is toen zelf gestorven. Deze zoon, Sieg- fried, is opgegroeid bij de dwerg Mime, die hem wil gebruiken om de Nibelungenschat te bemachtigen, waarover de draak Fafner in zijn rotshol waakt.

EERSTE BEDRIJF

Mime doet vergeefse pogingen een zwaard te smeden dat Siegfried niet onmiddellijk stuk slaat. Hij weet dat alleen Nothung hiervoor sterk genoeg is, maar hij slaagt er niet in de brokstukken opnieuw te smeden.

Siegfried jaagt de dwerg de stuipen op het lijf met een beer. Vervolgens monstert hij Mime’s laatste werkstuk, dat hij meteen kapot slaat. Mime heft een klaagzang aan over de ondankbaarheid van Siegfried; maar deze weet inmiddels dat de dwerg niet zijn vader kan zijn, en hij dwingt Mime hem over zijn afkomst te vertellen. Ter staving van zijn relaas haalt Mime de brokstukken van Nothung tevoorschijn. Siegfried eist dat Mime dit zwaard vandaag nog aaneensmeedt, zodat hij eindelijk de wereld in kan trekken.

Terwijl Mime wanhopig terneer zit, komt de ‘Wanderer’ (Zwerver, alias Wotan) binnen en dwingt de ongastvrije dwerg tot een weddenschap: Mime mag hem drie vragen stellen en als hij op één hiervan het antwoord schuldig blijft, behoort zijn hoofd Mime toe. Wanneer de Wanderer alle vragen bevredigend heeft beantwoord, stelt hij op zijn beurt drie vragen aan Mime. De eerste twee vormen geen probleemn, maar de derde - wie zal Nothung opnieuw aaneensmeden? - brengt Mime in paniek. Toch is dit nu juist de vraag die de dwerg zelf had moeten stellen, aldus de Wanderer, die vervolgt: ‘Slechts wie het vrezen nimmer kende, die smeedt Nothung opnieuw!’ Mime’s hoofd eist hij echter niet op: hij laat het toevallen aan deze onbevreesde held.

Als Siegfried terugkomt en ziet dat het zwaard nog niet gereed is, zegt Mime dat hij pas de wereld in kan trekken als hij het vrezen heeft geleerd. Siegfried is reuze benieuwd naar dit hem onbekende gevoel en Mime’s plan om hiervoor de woeste draak Fafner te bezoeken, lokt hem zeer. Eerst moet hij dan wel over Nothung beschikken, en hij gaat aan de slag om zelf het zwaard te smeden. Mime brouwt ondertussen een slaapdrank: als Siegfried de draak heeft verslagen, wil de dwerg hem dit sap toedienen, zodat hij de knaap kan doden en Ring en schat bemachtigen. Siegfried smeedt Nothung aaneen en slaat met één machtige klap het aambeeld doormidden.

TWEEDE BEDRIJF

Terwijl de Nibelung Alberich de wacht houdt bij het drakenhol, komt de Wanderer hem waarschuwen dat Mime en Siegfried in aantocht zijn. De Wanderer maakt Fafner wakker en Alberich biedt het beest aan hem te ver dedigen in ruil voor de Ring; de draak slaat dit voorstel af, en de Wanderer gaat er lachend vandoor.

Alberich verstopt zich, en Mime en Siegfried maken hun opwachting. Alleen achtergebleven wordt Siegfried zich steeds meer bewust van alle bosgeluiden, vooral van het gezang van een vogel. Na een mislukte poging om op een rietfluitje met de vogel te praten, blaast hij op zijn eigen hoorn, waardoor de draak naar buiten komt. Onbekommerd daagt Siegfried het beest uit, en hij weet Nothung in zijn hart te planten. Terwijl Siegfried zijn zwaard terugtrekt, valt er een druppel drakenbloed op zijn vinger en onwillekeurig likt hij dit op. Plotseling kan hij de Woudvogel nu wél verstaan: deze vertelt hem dat de Tarnhelm en de Ring uit het drakenhol mee moet nemen.

Terwijl Siegfried in het hol is, hebben Alberich en Mime een boze aanvaring over de verhoopte buit. De Woudvogel vertelt Siegfried dat hij dankzij het drakenbloed ook Mime’s gedachten kan lezen. En inderdaad: als Mime terugkomt, heeft hij zijn moorddadige bedoelingen al gauw verraden. Siegfried steekt de dwerg dood en pakt de Tarnhelm en de Ring, al weet hij niet waartoe deze dienen. Dan vraagt hij de Woudvogel of die niet ergens een lieve gezel voor hem weet. De vogel vertelt hem over Brünnhilde, en hij zal Siegfried naar haar toe leiden.

DERDE BEDRIJF

De Wanderer roept Erda op om haar voor de laatste keer om raad te vragen; haar wijsheid is echter tanende en zij kan hem geen antwoord geven.

Daar ziet hij Siegfried aankomen, die niet weet hoe hij verder moet, omdat de Woudvogel plotseling is weggevlogen. Hij hoopt dat de vreemdeling hem de weg kan wijzen, maar na een tijdje wekken al diens vragen zijn woede op. Getergd door Siegfrieds respectloze houding verspert de Wanderer hem met zijn speer de weg. Als Siegfried hoort dat Nothung al eerder door dezelfde speer werd verbrijzeld, meent hij dat zijn vaders moordenaar vóór hem staat, en met één klap slaat hij de heer- sersstaf doormidden.

Eenmaal op de bergtop ziet Siegfried een slapende gestalte liggen, en hij deinst angstig terug als dit een vrouw blijkt te zijn. Toch kust hij haar wakker, en stralend bezingt zij haar liefde voor hem, die hij al even vurig beantwoordt. Ineens vervult het besef dat zij nu geen Walküre meer is, haar van intense treurnis en schaamte. De puurheid van zijn liefde maakt echter dat zij zich verzoent met haar huidige lot, en lachend wenst zij de stam der onsterfelijken de ondergang toe.

Team en cast

Muzikale leiding 
Hartmut Haenchen
Regie 
Pierre Audi
Decor 
George Tsypin
Kostuums 
Eiko Ishioka
Licht 
Wolfgang Göbbel
Dramaturgie 
Klaus Bertisch
Orkest 
Rotterdams Philharmonisch Orkest
Siegfried 
Heinz Kruse / Stig Andersen
Mime 
Graham Clark
Der Wanderer 
John Bröcheler
Alberich 
Henk Smit
Fafner 
Carsten Stabell
Erda 
Anne Gjevang
Brünnhilde 
Jeannine Altmeyer (1, 5, 9, 13 juni) /
Nadine Secunde (17, 21, 25, 29 juni)
Waldvogel 
Stefan Pangratz (solist Tolzer Knabenchor)