De Nationale Opera presenteert

DAS RHEINGOLD Richard Wagner (1813–1883)

Deze productie was te zien in september 1997

Der Ring des Nibelungen
Ein Bühnenfestspiel für drei Tagen und einen Vorabend
Tekst en muziek van Richard Wagner

DAS RHEINGOLD

Vorabend
Wereldpremière 22 september 1869, Königliches Hof- und Nationaltheater, München

DEZE PRODUCTIE

Nieuwe productie
Première 4 september 1997

Het verhaal

EERSTE TAFEREEL

Op de bodem van de Rijn slaat Alberich de drie Rijndochters verlekkerd gade. Zodra zij de onooglijke gnoom hebben opgemerkt, lokken ze hem beurtelings naar zich toe om hem vervolgens smalend af te wijzen, waardoor hij aan steeds machtelozer woede ten prooi raakt. Ineens breken zonnestralen door het water heen en zetten het Rijngoud in een verblindende gloed. Juichend scharen de nimfen zich rond het goud, dat zij moeten bewaken. Wie deze schat weet te veroveren en er een ring uit smeedt, zal almachtig worden. Maar... alleen wie de liefde afzweert, kan hier in slagen, en van de wellustige dwerg hebben ze dus niets te duchten, zo menen zij. Deze is echter dermate getergd door zijn mislukte avances dat hij de liefdesvloek uitspreekt en er met de buit vandoor gaat. Tevergeefs zetten de verblufte Rijndochters de achtervolging in.
 
TWEEDE TAFEREEL
 
Nog half dromend houdt Wotan een trotse lofzang op de godenburcht, waarvan de bouw zojuist door de reuzen Fasolt en Fafner voltooid is. Zijn vrouw Fricka herinnert hem er verbolgen aan dat de reuzen als loon haar zuster Freia hebben bedongen. Wotan tracht haar gerust te stellen: hij is nooit serieus van plan geweest Freia af te staan en heeft Loge eropuit gestuurd om een geschikte vervanging te vinden. Fafner en Fasolt komen Freia echter al opeisen. Als Wotan hun voorstelt een ander loon te kiezen, wijst Fasolt hem erop dat hij, als hoeder van verdragen, wel als eerste zijn afspraken moet nakomen. Fafner weet bovendien dat de góden hun eeuwige jeugd te danken hebben aan Freia’s gouden appels en dat ze zonder haar zullen sterven: een reden te meer voor de reuzen om aan de oorspronkelijke afspraak vast te houden. Terwijl de reuzen zich opmaken om Freia mee te nemen, komen haar broers Froh en de dondergod Donner toegesneld.
 
Net heeft Wotan een gewelddadige confrontatie voorkomen of Loge maakt zijn opwachting. Nergens vond hij een passend substituut voor Freia; overal deed hij navraag, maar alom gold de liefde als het hoogste goed. De enige uitzondering was de Nibelung Alberich, die de liefde afzwoer toen hij het Rijngoud roofde. Hiervan heeft hij inmiddels de almacht verlenende Ring gesmeed. Alle partijen zijn het erover eens dat deze hem moet worden afgenomen. Hiertoe zal Wotan samen met Loge naar Nibelheim afdalen. De reuzen eisen alvast het Rijngoud als losprijs voor Freia, die ze alleen zullen vrijlaten als Wotan hun nog diezelfde avond het goud overhandigt.
 
DERDE TAFEREEL
 
In het onderaardse Nibelheim laat Alberich het ooit zo zorgeloze Nibelungenvolk dag en nacht zwoegen om goud op te delven en hieruit sieraden te smeden. Ook zijn broer Mime zucht onder dit juk. Alberich heeft hem zojuist een Tarnhelm laten vervaardigen, waarmee de drager zichzelf van gedaante kan doen veranderen. Mime’s plan deze helm zelf te gebruiken om zich van Alberichs tirannie te bevrijden, is verijdeld, zo vertelt hij aan Loge en Wotan, die naar Nibelheim zijn afgedaald.
 
Alberich zelf treedt de beide indringers vol argwaan tegemoet. Tot een demonstratie van de Tarnhelm laat hij zich echter makkelijk bewegen. Nadat hij eerst in een reusachtig monster is veranderd, tovert hij zichzelf, op Loge’s suggestie, in een kleine pad om. De list is geslaagd: het dier wordt gevangen en de Tarnhelm afgepakt, waarna Wotan en Loge de dwerg meevoeren naar de aarde.
 
VIERDE TAFEREEL
 
De geknevelde Alberich beveelt de Nibelungen de schat naar boven te brengen, die Wotan als losgeld heeft opgeëist. Als hij ten slotte ook de Ring heeft moeten prijsgeven, wordt de dwerg vrijgelaten.
 
Voor hij wegkruipt, spreekt hij echter een vloek uit: zolang de Ring niet aan hem wordt teruggegeven, zal deze de drager ervan enkel ellende en ook de dood bezorgen, terwijl ieder die hem niet bezit door afgunst zal worden verteerd.
 
Wotan en Loge worden door de andere góden begroet en ook Fasolt en Fafner komen terug. Als losprijs voor Freia eisen zij dat de Nibelungenschat zo hoog wordt opgetast dat de godin volkomen uit hun zicht verdwijnt. Aldus geschiedt, maar steeds ontwaren de hebzuchtige reuzen weer een kiertje waardoor nog net iets van Freia te zien is. Nadat ook de Tarnhelm al is afgestaan, eist Fafner ten slotte de Ring op, die aan Wotans vinger prijkt. Als de god dit weigert, verschijnt Erda, de oermoeder, om Wotan te waarschuwen voor het onheil dat hij over de góden afroept als hij de vervloekte Ring behoudt. Tot inkeer gebracht, werpt Wotan de Ring op de goud- stapel, en daarmee is Freia vrijgekocht.
 
De beide reuzen raken ogenblikkelijk slaags over de verdeling van de buit. Fafner slaat Fasolt dood en gaat er ijlings met de Ring en de rest van de schat vandoor. De góden blijven ontsteld achter: de vloek is zijn werk begonnen.
 
Om de benauwde atmosfeer te verdrijven zwaait Donner met zijn machtige hamer.
 
De nevel trekt op en over het dal strekt zich een prachtige regenboog uit, die naar de godenburcht voert. Net wil Wotan deze brug betreden of tot zijn grote ergernis klinkt uit de diepte het klaaglijk gezang van de Rijndochters op, die het verlies van hun goud bewenen.

Team en cast

Muzikale leiding 
Hartmut Haenchen
Regie 
Pierre Audi
Decor 
George Tsypin
Kostuums 
Eiko Ishioka
Licht 
Wolfgang Göbbel
Dramaturgie 
Klaus Bertisch
Orkest 
Residentie Orkest
Wotan 
John Bröcheler
Donner 
Jürgen Freier
Froh 
Albert Bonnema
Loge 
Chris Merritt
Alberich 
Henk Smit
Mime 
Graham Clark
Fasolt 
Peter Mikulás
Fafner 
Carsten Stabell
Fricka 
Reinhild Runkel
Freia 
Carola Höhn
Erda 
Anne Gjevang
Woglinde 
Gabriele Fontana
Wellgunde 
Hanna Schaer
Floßhilde 
Catherine Keen