Jacques Offenbach

Vader van de operette

Jacques Offenbach 01

Offenbach is een van de grootste operettecomponisten. Hij schreef ruim 100 operettes, waarvan Les brigands en Orphée aux Enfers de meest bekende zijn. De opera Les contes d’Hoffmann behoort nog altijd tot het standaardrepertoire en wordt in seizoen 2017-2018 bij De Nationale Opera uitgevoerd.

  • Jacques Offenbach: 20 juni 1819 (Keulen) – 5 oktober 1880 (Parijs)
  • Belangrijkste werken: Les brigands, Orphée aux Enfers, Les contes d’Hoffmann, Le papillon, La belle Hélène
  • Stroming: romantiek
  • Gezin: getrouwd met Hérminie d’Alcain, 5 kinderen

Offenbach en de opera
Offenbach heeft maar twee opera’s geschreven, waarvan hij de laatste niet heeft kunnen voltooien. De eerste was Die Rheinnixen (1864). Deze romantische opera ging in Wenen in première, bij de Wiener Hofoper. Daarna werd hij in Offenbachs geboorteplaats Keulen uitgevoerd. Hoewel beide uitvoeringen redelijk succesvol waren, zou de opera tot 2005 moeten wachten voor een derde uitvoering. Na deze uitvoering in Ljubljana werd het werk een paar keer in Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië uitgevoerd.

In 1877 begon Offenbach aan Les contes d’Hoffmann. Het werk werd echter vertraagd door allerlei kleinere, lichte werken die hij om in zijn onderhoud te kunnen voorzien, tussendoor schreef. Bij zijn overlijden in 1880 waren alle vocale partijen uitgeschreven en een deel van de orkestratie was voltooid. De rest werd afgemaakt door Ernest Guiraud, een familievriend, in samenwerking met Offenbachs zoon Auguste.

Foto van de première van Les Contes d'Hoffmann

 

Jeugd en studie
Jakob Offenbach werd in 1819 in Keulen geboren. Hij was de zoon van een boekbinder, die later voorganger in een synagoge werd en als violist optrad. Jakob kreeg celloles, en bleek zo’n groot talent te zijn dat zijn vader hem samen met zijn broer Julius (die viool speelde) naar het conservatorium van Parijs stuurde. Jakob veranderde daar zijn naam in Jacques, zodat hij minder last van zijn Duitse afkomst zou hebben.

Na één jaar stopte Offenbach alweer met zijn studie; hij was het niet eens met het strenge curriculum van Cherubini, die toen directeur van het conservatorium was. Hij ging bij de Opéra-Comique werken, waar hij naar verluidt vaak grappen uithaalde met zijn collega-cellisten, af en toe in samenwerking met de aanvoerder… Tijdens zijn jeugd en studie schreef Offenbach vele werken voor cello solo en voor cello en piano.

Huwelijk en eerste operettes

Terwijl hij in Parijs werkte, bezocht Offenbach vaak salons van adellijke families. Bij een van die salons leerde hij Hérmine d’Alcain kennen. De twee werden verliefd, maar konden niet trouwen vanwege Offenbachs slechte financiële omstandigheden. Na een paar Europese tournees was dat probleem verholpen. Het stel trouwde in 1844 en kreeg samen een zoon en vier dochters.

Offenbach trad in de eerste jaren van zijn huwelijk voornamelijk als cellist in de salons op. Hij schreef een aantal vocale werken en zijn eerste operettewerken, die hij eveneens voor kleinere kringen in de salons uitvoerde. Na de revolutie van 1848 ging hij als dirigent werken bij de Comédie-Française. Hier kreeg hij de kans om zijn eigen werk voor een groter publiek uit te voeren. Al gauw kwam er een stroom werken op gang.

De Comédie-Française in Parijs

 

Orphée, La belle Hélène en andere successen
In de daaropvolgende jaren schreef Offenbach vele werken voor het theater, waarvan een aantal met redelijk succes werd uitgevoerd. Toch brak hij nog niet echt door als componist. De Opéra-Comique wilde zijn werk niet uitvoeren. in 1858 voltooide hij zijn eerste volledige operette: Orphée aux Enfer. Een criticus van het Journal des Débats schreef een verontwaardigde recensie. Offenbach greep deze kans aan om erover in discussie te gaan en zo publiciteit te genereren. Dat werkte: het publiek werd nieuwsgierig naar alle commotie en kwam massaal op de operette af. Het werd vervolgens een groot succes.

In de jaren na 1860 schreef Offenbach zijn grootste werken, waaronder Die Rheinnixen (1864), La vie Parisienne (1866),  La grand-duchesse de Gérolstein (1868), en Les brigands (1869). Het succes van La belle Hélène (1864) verliep volgens dezelfde formule als Orphée: dezelfde criticus brandde het werk af, werd weersproken door andere critici, en door al deze ophef stroomde het publiek weer toe.

Laatste jaren
Na de Frans-Duitse oorlog, die in het nadeel van Frankrijk werd beslist, kreeg Offenbach te maken met een terugslag. Als Duitser werd hij argwanend bekeken en men had niet veel oog meer voor de werken die eerder een succes waren geweest. Offenbach besloot op tournee te gaan door Engeland. Toen hij terug kwam, was het stof van de oorlog een beetje neergedaald en hadden zijn werken weer enig succes.

Vanaf 1860 begon Offenbach last te krijgen van jicht. In zijn laatste jaren moest hij steeds vaker in een koets naar het theater gebracht worden. De pijn belemmerde het werken. Zijn opera Les contes d’Hoffmann liep daardoor vertraging op. Op 5 oktober 1880 overleed de componist aan een hartaanval na een acute jichtaanval. Hij kreeg een staatsbegrafenis op de begraafplaats van Montmartre.

BINNENKORT BIJ DE NATIONALE OPERA

2017-2018  Les contes d’Hoffmann

EERDER TE ZIEN BIJ DE NATIONALE OPERA

1991-1992 Les brigands
1992-1993 Les brigands
1984-1985 La Belle Hélène