Magazine Vier snoodaards: Erwin Schrott kan ze aan
  1. Magazine
  2. Vier snoodaards: Erwin Schrott kan ze aan
  • Joke Dame
  • 05 Jun 2018
  • Leestijd: 5 minuten

Vier snoodaards: Erwin Schrott kan ze aan

Bas-bariton Erwin Schrott maakt zijn langverwachte debuut bij De Nationale Opera en dan ook maar meteen in vier rollen: hij vertolkt Lindorf, Coppélius, Dokter Miracle, Kapitein Dapertutto, kortom de ‘vier booswichten’ in Offenbachs Les contes d’Hoffmann.

Een sprankelend interview met deze veelgevraagde zanger over zijn jeugd, zijn werkwijze en zijn ontembare liefde voor de opera. "Ik voel nog steeds dezelfde fascinatie en liefde voor muziek en voor de opera als die allereerste dag."

Honderd procent

Bas-bariton Erwin Schrott maakt zijn langverwachte debuut bij De Nationale Opera en dan ook maar meteen in vier rollen: hij vertolkt Lindorf, Coppélius, Dokter Miracle, Kapitein Dapertutto, kortom de ‘Vier booswichten’ in Offenbachs Les contes d’Hoffmann. En dat deed hij ook nog niet eerder.

“Zo vaak al ben ik gevraagd Les contes d’Hoffmann te zingen, maar de verzoeken kwamen steeds te vroeg,” laat Erwin Schrott (1972) weten. Per e-mail, want in maart zit hij tot over zijn oren in een nieuwe productie van Verdi’s Les vêpres siciliennes in München. Daarna staat Boito’s Mefistofole op zijn programma, voordat hij zijn vierdubbeldebuut in Amsterdam zal maken. Tot een telefoongesprek is de Uruguayaanse zanger dan ook niet te verleiden – “echt te druk met Verdi” – maar op een paar schriftelijke vragen reageren: “altijd”.

Ik weet dat ik die vier personages aankan en iets bijzonders van ze kan maken

In zijn antwoorden legt hij uit dat hij één ding tijdens zijn inmiddels ruim twintigjarige carrière goed heeft begrepen: “Geduldig zijn en wachten tot ik er helemaal klaar voor ben. Een rol nooit accepteren voordat ik er meer dan honderd procent zeker van ben. Dat kan ik nu pas zeggen voor Les contes d’Hoffmann: ik weet dat ik die vier personages nu aankan en iets bijzonders van ze kan maken.”

Smeltend legato

De personages tot leven brengen, dat is precies wat zijn werk zo interessant maakt en waardoor het zo’n voldoening geeft, vindt Schrott. “Het proces van het personage leren kennen, en de rol niet alleen in te vullen met muzieknoten maar ook met intense emoties. Dat resulteert in een psychologisch begrip dat noodzakelijk is om de rol goed te kunnen uitvoeren.”

Hoe gaat dat bij vier rollen in één keer; vragen die elk iets anders van zijn stem? “Ja, wat de stem betreft vereisen ze alle vier net een andere aanpak. De ene partij wil meer gesproken worden, de ander vraagt om een heerlijk smeltend legato, althans in mijn interpretatie. Maar dat zal allemaal pas op zijn plaats vallen tijdens de repetities met dirigent Carlo Rizzi en regisseur Tobias Kratzer.”

Repetitieproces

Met maestro Rizzi heeft hij eerder gewerkt, al is dat lang geleden: “Als je al twintig jaar zingt kan het zomaar gebeuren dat je met iemand werkt en elkaar pas tien of vijftien jaar later weer ziet.” Schrott kijkt uit naar de repetities met Rizzi en regisseur Kratzer. Hij houdt van het repetitieproces. “Met alle betrokkenen worden we een uniek mechanisme, een perfecte constellatie van uiteenlopende onderdelen die de opera tot zo’n geweldige kunstvorm maakt." 

"Ik vind dat je als operazanger ook je uiterste best moet doen om goed te acteren. Daar heb ik de regisseur bij nodig. Ik neem zijn aanwijzingen en kennis graag in me op en in die samenwerking komt een personage het best tot stand. Iedereen in het proces moet daar natuurlijk wel volledig voor openstaan.”

Tafeltennis

Dat Erwin Schrott de grote bas-bariton zou worden die hij nu is, lag niet meteen voor de hand voor de jonge Uruguayaan van Spaans-Duitse afkomt. Zijn moeder koesterde weliswaar grote verwachtingen voor haar zoon, maar niet als opera-zanger.

“Ze wilde dat ik pianist werd, of proftennisser of balletdanser. En nou ben ik een operazanger geworden die graag tango danst, gitaar speelt en gek is op tafeltennis. Ergens heeft ze dus haar zin gekregen. Mijn moeder luisterde graag naar klassieke muziek, mijn vader naar tango – beide genres vormden de soundtrack vanaf mijn vroegste jeugd en bepaalden later mijn muzikale smaak. Mijn ouders hechtten aan een goede scholing en daar werkten ze hard voor. Een groot deel van hun inkomen ging naar mijn opleiding en daar ben ik ze tot op de dag van vandaag zeer dankbaar voor. Het heeft me gemaakt tot wie ik nu ben.” 

Ik voel nog steeds dezelfde fascinatie en liefde voor muziek en voor de opera als die allereerste dag.

Het was ook zijn moeder die hem in contact bracht met de opera. “Ik was acht jaar toen ik voor het eerst het operapodium opklom en die ervaring blies me compleet van m’n sokken. Ik zal het nooit vergeten want ik wist dat mijn leven vanaf dat moment een wending had genomen. De theaterwereld en het podium werden mijn thuis en ik wilde alleen nog maar muziek, muziek en muziek."

"Natuurlijk heb ik daarna nog vele jaren heel hard moeten studeren en daarbij een stevige strijd moeten leveren. Mijn klasgenoten voetbalden liever en pestten me omdat ik een nerd was die van klassieke muziek hield, van opera, ballet en schaken. Maar uiteindelijk is alles hetzelfde gebleven: ik voel nog steeds dezelfde fascinatie en liefde voor muziek en voor de opera als die allereerste dag.”

Lichtschakelaar

En of het nu een serieuze opera is, zoals Les vêpres siciliennes, of een komische, zoals Les contes d’Hoffmann, voor Erwin Schrott maakt dat in wezen niets uit: de grens tussen komedie en tragedie is volgens hem geen scherpe lijn.

“Het leven zelf heeft zoveel lagen, inclusief drama en komedie, en mijn personages maken het mogelijk om in heel verschillende emoties te duiken. Ik vind het leuk als het publiek laat weten dat ze in me geloven als slechterik, want dat ben ik hier in vier varianten. Ik houd van de lach van het publiek als ik in een komedie speel. Balans is daarbij het toverwoord en als zanger moet ik blijven variëren. De overgang van het ene genre naar het andere is als een lichtschakelaar. Licht en donker, ik kan over beide op elk moment beschikken.”

 

Dit artikel verscheen eerder in Odeon 110