Magazine De laatste renaissancist
  1. Magazine
  2. De laatste renaissancist
  • Astrid van Leeuwen
  • 07 Jan 2017
  • Leestijd: 6 minuten

De laatste renaissancist

Toer van Schayk werd door zijn dansers vaak ‘de laatste renaissancist’ genoemd. Want, zeggen ze: "Iemand die zoveel verschillende kunstvormen beoefent, dat zag je alleen in de renaissance". Van Schayk levert inmiddels al zestig jaar een niet te onderschatten bijdrage aan de dans in Nederland en daarbuiten. Als danser, choreograaf, decor-, kostuum- en lichtontwerper. Als kunstenaar, die vanuit een diep respect voor het verleden nieuwe werelden creëert en als oneindig perfectionist, met oog voor het kleinste detail.

“Hij deed me denken aan een houtskooltekening: donker, en met contouren die wat uitgeveegd leken waardoor er veel aan de fantasie werd overgelaten.” Die woorden schreef Rudi van Dantzig over zijn kennismaking met Toer van Schayk, in 1955, in de balletstudio van Sonia Gaskell aan de Amsterdamse Zomerdijkstraat.

Het was een ontmoeting die een enorme impact zou hebben op het leven van beiden. Het was Van Dantzig die de vele talenten van de teruggetrokken, zichzelf maar moeilijk op de voorgrond durven plaatsende Van Schayk herkende en voor het voetlicht bracht. Die hem, kort na hun kennismaking, zijn eerste opdrachten gaf voor het ontwerpen van balletdecors en -kostuums. Die hem – nadat Van Schayk zich teleurgesteld uit de danswereld had teruggetrokken en zich op een studie beeldhouwen had gestort – in 1965 weer terugvoerde naar de dans en zijn kwaliteiten als danser wist bloot te leggen. Die hem in 1971 overhaalde zijn eerste choreografie te maken, en die hem bleef uitdagen om zich als kunstenaar te profileren.

Expressieve danser

Al bij Gaskells Nederlands Ballet danste Van Schayk zijn eerste solistenrollen, onder meer in Balanchines Concerto Barocco en als de dromerige poëet in Michel Fokines Les Sylphides. Maar zijn grote doorbraak kwam in 1965, toen Van Dantzig hem overhaalde de hoofdrol in Monument voor een gestorven jongen voor zijn rekening te nemen. Niemand, zo schreef de pers, had die rol in Van Dantzigs ‘signature piece’ beter kunnen vertolken dan deze “buitengewoon expressieve en sensitieve danser”.

Van Dantzig zag hoe Van Schayk zocht naar een eigen bewegingstaal – ‘een combinatie wellicht tussen dans en beeldhouwkunst’, aldus Van Dantzig – en hoe rijk en eigenzinnig zijn ideeën waren. Dat leidde in 1971 tot de opdracht voor een eerste ballet: Voor, tijdens en na het feest. “Een opmerkelijk gaaf en zuiver werk (..) helder van lijn en vorm, ontdaan van elke overbodigheid, van elk loos gebaar, zonder koel of steriel te worden”, zoals critica Ine Rietstap destijds oordeelde.

Bij Toer heeft álles een reden

Meer dan vijftig werken creëerde Van Schayk sindsdien, voor met name Het Nationale Ballet. Hij maakte pure muziekballetten én balletten met een maatschappijkritische boodschap, hij maakte impressionistische én expressionistische werken, werken die verwijzen naar belangrijke episoden in onze geschiedenis en de dansgeschiedenis én choreografieën die midden in de tijd waarin ze gemaakt zijn staan. Maar altijd werkend vanuit een sterk eigen concept, zonder zich rekenschap te geven of ‘iets zal werken’ of een succes zal blijken. “Bij Toer heeft álles een reden”, zeggen zijn trouwste dansers. “Zijn balletten zijn als poëzie: je kunt niet zomaar ritme of rijm ervan veranderen.

Levende sculpturen

Hoewel Van Schayk zijn dansers altijd koos om de ‘mens’ die zij waren, zagen zijn belangrijkste muzen zichzelf veelal als de klei en verf die Van Schayk nodig had om zijn fantasieën tot uitvoer te brengen. Clint Farha, Van Schayks ultieme muze: “Toers bewegingen zijn qua vorm en dynamiek enorm gecompliceerd. Zijn balletten zijn levende sculpturen: hij dwingt het lichaam in de vreemdste posities, maar het resultaat is altijd prachtig.”

Steeds zocht Van Schayk naar manieren om de grenzen van het menselijk lichaam te verleggen en verder op te rekken, al werd dat in de hoogtijdagen van zijn carrière soms onvoldoende herkend en op waarde geschat. Pas nu, achteraf, lijkt Toers betekenis als ‘dansvernieuwer’ en zijn invloed op jonge generaties choreografen alsnog ten volle te worden ingezien. Oud-danser Han Ebbelaar: “Als ik hedendaagse dansvoorstellingen bezoek, denk ik vaak: goh, dat deed Toer ook al, vaak járen geleden. Dat enorme scala aan bewegingen, de vervreemding in zijn werk, die heel eigen manier van lijnen creëren, dat onverwachte, atypische gebruik van muziek, die gave om logica binnen de onlogica te vinden: Toers werk had het allemaal.”

De meeste van Van Schayks choreografieën bevatten – voor zijn dansers, maar zeker ook voor zijn publiek – een grote mate van mysterie. Oud-danseres Caroline Sayo Iura: “Een ballet van Toer kan je flink in de war brengen. Het zet je aan het denken, het laat je achter met een hoop vragen.” Farha: “Je denkt dat je hem kent, maar hij heeft altijd weer verrassingen in petto.” Dat laatste gold ook voor Notenkraker en Muizenkoning, de productie die Van Schayk in 1996 met Wayne Eagling maakte. De man die in zijn werk vaak van een pessimistische kijk op de wereld getuigde, toverde opeens een meeslepend decembersprookje uit zijn hoed dat sindsdien duizenden kinderen én volwassenen in vervoering heeft gebracht.

Hoogtepunten

Notenkraker en Muizenkoning behoort samen met Het Zwanenmeer (choreografie Van Dantzig en Van Schayk) ook tot de hoogtepunten uit Van Schayks oeuvre als decor-, kostuum- en lichtontwerper. In beide producties komt zijn enorme kennis van en hang naar het verleden tot uitdrukking. Voor Het Zwanenmeer liet hij zich inspireren door de barokke weelde van de zeventiende-eeuwse schilderijen. Voor Notenkraker en Muizenkoning baseerde hij zich, in vrijere mate, op een rond 1800 getekend dagboek waarin Christiaan Andriessen de Amsterdamse hogere burgerij portretteerde, en liet daarbij al zijn liefde voor ambachtelijkheid en ouderwetse theatermagie de vrije loop.

De beide ‘klassiekers’ vormen met hun overdadige aankleding een groot contrast met Van Schayks vele plastische, vaak minimalistische decor- en kostuumontwerpen voor zijn eigen hedendaagse balletten en die van Van Dantzig, maar in alle gevallen is er die ver doorgevoerde perfectie en dat nimmer aflatende oog voor detail. Álles moet kloppen, nog vlak voor een première zie je Van Schayk op het toneel met een klein penseeltje in de weer om nog wat schaduwen of accenten op een decorstuk aan te brengen. Oud-danseres Jane Lord: “Bij mijn generale repetitie van Romeo en Julia raakte ik hevig ontroerd toen ik zag dat Toer ook het baldakijn van Julia’s bed had beschilderd: blauw met gouden sterren. Het publiek kon dat onmogelijk zien.”

Dit artikel werd gepubliceerd in het luxe programmaboek van Hollandse Meesters (seizoen 2016 / 2017). 
 

Kijk naar een toneelrepetitie van Toer van Schayks 'Requiem' (2016).