Magazine Dirigent Stéphane Denève over Pelléas
  1. Magazine
  2. Dirigent Stéphane Denève over Pelléas
  • Emanuel Overbeeke
  • 29 May 2019
  • Leestijd: 7 minuten

Dirigent Stéphane Denève over Pelléas

Het enthousiasme over Debussy klinkt ook telefonisch door bij de Franse dirigent Stéphane Denève die net terug is van een tournee uit de Verenigde Staten. Stéphane Denève is muziekdirecteur van het Brussels Philharmonic Orchestra en maakt internationaal furore met zowel opera als symfonisch werk. Hij dankt zijn faam vooral aan zijn vertolkingen van Franse muziek.

U heeft de opera eerder gedirigeerd. Wat viel u het meeste op?

“Deze opera is heel belangrijk voor mij, omdat met deze opera mijn werk als operadirigent begon. Ik was student op het conservatorium in Parijs en we deden als project een paar scènes uit Pelléas et Mélisande. Ik zat voor het eerst in de orkestbak tussen het toneel en het orkest. Ik was meteen ‘totally in love’ met het werk, vooral om de verhouding tussen het toneel en het orkest en de manier waarop Debussy het toneel tot leven brengt. Later heb ik de opera ook nog scenisch gedaan in Cincinnati en concertant in Schotland. Ik had het grote geluk te werken met een fantastische cast, onder wie Laurent Naouri en Nathalie Dessay. Het was steeds een emotionele ervaring.”

De vijf akten bestaan niet uit recitatieven, aria’s, ensembles en koren, zoals in de traditionele opera, maar vormen een doorgaande beweging. Wat betekent dat voor de dirigent?

“Er is niets dat je kunt vergelijken met deze doorgaande vloeiende beweging. Enigszins vergelijkbaar zijn Wagners Parsifal en Moessorgski’s Boris Godoenov, maar Pelléas et Mélisande blijft uniek. Debussy werkt veel met symbolen en met het mysterie. In de tekst wordt vooral veel niet gezegd en blijft zo onduidelijk. De muziek is diep psychologisch en het is de kunst te genieten van de mooie, lyrische aspecten van de muziek. Belangrijk is de omgang met taal. De zangers zijn meer sprekers dan zangers, maar de zang is niet helemaal identiek aan het gesproken Frans. De muziek is niet slechts een omzetting van spreektaal, al is er wel een discrete wijze van zeggen, met veel gefluister, tamelijk hypnotisch. Dat is een groot verschil met Italiaanse opera. De taal in de muziek houdt verband met de vloeiende beweging. Het woord is zeer precies aangegeven en het ritme in de taal en de muziek is van het grootste belang.”

Betekent die nauwe band tussen taal en muziek dat de opera voor niet-Franse musici lastiger is dan voor Fransen?

“De muziek is niet een simpele overzetting van de tekst. Voor een lezer werkt de tekst anders dan voor de luisteraar. De muziek is rijker en moet een ‘natural feeling’ creëren. Debussy maakt de tekst ook theatraal. De articulatie is daarbij zeer belangrijk. De eerste vertolkster van de rol van Mélisande, Mary Garden, was een Schotse. Debussy koos haar omdat zij aan het idiomatische Frans iets kon toevoegen. Dat theatrale moest altijd een betekenis hebben. De tweede vertolkster van de rol, Maggie Teyte, ook een Schotse, kreeg van Debussy weinig commentaar op haar vertolkingen, naar eigen zeggen omdat zij Debussy’s muziek benaderde alsof die van Mozart is. Ook Mozart was in staat aan de taal van zijn libretti in zijn muziek een theatrale lading te geven. Debussy was in zijn aanwijzingen voor musici heel precies. Hij was absoluut geen vage impressionist. Impressionisme in muziek is iets heel anders dan impressionisme in de schilderkunst. En ook die schilderkunst is trouwens niet altijd vaag. Een groot deel van de opera is geschreven voor een klein orkest en lijkt soms op kamermuziek. Ook in die bezetting is de klank magisch en rijk. Debussy schrijft altijd met groot gevoel voor het licht in de muziek. Dat licht kan allerlei vormen aannemen, net als de kathedraal van Rouen op de schilderijen van Monet. Bij die rijkdom in vele kleuren licht realiseert hij een vloeiende beweging waarbij alles moeiteloos klinkt. Er is permanent een grote intensiteit. Daar streef ik naar.”

Pelléas et Mélisande is een opera met motieven, zoals de opera’s van Wagner. Wat is de rol van de motieven in Pelléas et Mélisande?

“Die is bij Debussy essentieel en anders dan bij Wagner. Bij Wagner zijn de motieven meer een telefoonboek, om het oneerbiedig te formuleren. Klinkt een motief opnieuw, dan weet je meteen wat er aan de hand is. Bij Debussy zijn de motieven niet decoratief, maar geven ze een psychologische diepte. Debussy is daarin zeer, zeer, zeer verfijnd. Een voorbeeld is een passage uit de tweede akte, met Golaud. Hij herhaalt een melodie van Mélisande met een ander ritme waardoor het een andere betekenis krijgt. De opera lijkt wat dit betreft op toneelstukken van Tsjechov. De mededelingen lijken soms onbelangrijk, maar daarachter schuilt een belangrijke betekenis die niet altijd wordt uitgesproken.”

Door wie is Debussy beïnvloed?

“Naast Wagner en Moessorgski ook onder meer door Massenet. Debussy kende zijn muziek goed en je hoort de invloed duidelijk in de vierde akte in het lied van Mélisande, een van de weinige aria-achtige passages in Debussy’s opera. Een andere invloed was Mozart, om de manier waarop hij met tekst omging. In de muziek van Berlioz bewonderde hij de lyrische kwaliteit en de balans tussen het orkest en de stemmen. Net als bij Berlioz is de zangstijl niet Italiaans. Maar Debussy was bovenal een vrije geest die een genre opnieuw wist uit te vinden, net als Janáček.

In Pelléas et Mélisande herken je ook veel uit oudere stukken van Debussy. De manier van tekstzetting zit ook in de liedcycli Chansons de Bilitis en de Poèmes de Baudelaire. De grote verfijning in de klank is er ook al in Printemps, L’enfant prodigue en natuurlijk Prélude à l’après-midi d’un faune. De opera schreef hij ongeveer halverwege zijn leven en vormt absoluut zijn hoogtepunt.”

Waarom heeft Debussy maar één opera voltooid?

“Debussy begon aan vele andere opera’s die allemaal onvoltooid bleven. Ook andere projecten dan opera’s, zoals een vioolconcert voor Eugène Ysaye, bleven onvoltooid. Hij had een ingewikkeld leven, was vaak te laat en was een zeer minutieuze werker die veel zorg besteedde aan zijn partituren, met name de articulatie. Een werk als Jeux uit 1912 bevat veel informatie, vaak op hetzelfde moment. En al die informatie is zeer precies aangegeven, vooral inzake de dynamiek. Debussy was ook zelden tevreden. Had hij eenmaal iets gemaakt en begon hij aan iets nieuws, dan moest het nieuwe minstens zo goed zijn als het vorige. Hij vond het moeilijk iets te maken dat Pelléas zou kunnen overtreffen.”

Heeft de opera navolgers gekregen?

Pelléas et Mélisande is een van de weinige Franse opera’s van rond 1900 die nu nog te horen zijn. Andere opera’s die repertoire hielden zijn de twee van Ravel en die van Magnard, Dukas en d’Indy, al zijn die laatste drie minder vaak te horen. Sommige componisten probeerden het wel, min of meer, maar hij was te persoonlijk om echt na te kunnen volgen. Het andere grote succes van de Franse opera in de twintigste eeuw is Dialogues des Carmélites van Francis Poulenc uit de jaren vijftig, ook een opera met een geheel eigen stem. Een werk dat zeker door Pelléas et Mélisande is beïnvloed is het oratorium Golgotha van Frank Martin. Ik dirigeerde dat ooit in het Concertgebouw. Het heeft dezelfde Franse stijl als de opera, vooral in de verfijnde klank van het orkest en de omgang met tekst. Het is zeer transparant en ook zeer dramatisch.”

Hoe verhoudt de Pelléas van Debussy zich tot die van Fauré, Sibelius en Schönberg?

“Het eerste wat mij opvalt is dat zoveel componisten zo beïnvloed waren door deze tekst. Het verhaal is tamelijk simpel en bijna saai, over een driehoeksverhouding en vol van jaloezie. De unieke toon van Maeterlinck moet grote indruk hebben gemaakt. Het stuk van Schönberg ken ik niet. Fauré schreef zijn Pelléas et Mélisande een paar jaar voor Debussy. Die muziek heeft een duidelijk ander karakter dan Debussy’s opera.”

Als u een opera gaat instuderen, hoe bereidt u zich voor?

“Ik ben een pianist en speel het werk op de piano. Door mijn vingers te gebruiken leer ik een stuk het beste kennen. Ik heb ook geluisterd naar platen. Bij mijn kennismaking op het conservatorium heb ik geluisterd naar de beroemde opname uit 1942 onder Désormière, de eerste complete opname van het werk, en ik was ‘totally addicted’. Die uitvoering is heel bijzonder. Ten eerste vanwege de oorlog maar ook door de manier waarop de zangers met taal omgaan. Ik wil niet nationalistisch lijken, maar de zangers in deze opname, allemaal Fransen, zijn fantastisch. Ik zou willen dat iedereen hiernaar luistert want ik ben er een grote fan van.”

Wat verwacht u van de komende productie?

“Ik zie er zeer naar uit en het is een grote eer dat ik eraan kan meewerken. ‘I love the opera’. Ik voel mij zeer vereerd dat ik dit werk mag dirigeren bij het Concertgebouworkest. Het is ‘a dream come true’. Het orkest voerde het ooit uit onder Pierre Monteux en Jean Fournet en ik ben bevoorrecht dat ik in hun voetsporen mag treden.”