Magazine Ballet der balletten: Het Zwanenmeer
  1. Magazine
  2. Ballet der balletten: Het Zwanenmeer
  • Astrid van Leeuwen
  • 16 Jul 2018
  • Leestijd: 6 minuten

Ballet der balletten: Het Zwanenmeer

Met Het Zwanenmeer gaf Pjotr Iljitsj Tsjaikovski in 1877 de tot dan gangbare balletmuziek een niet te onderschatten artistieke impuls. Toch was aanvankelijk noch zijn compositie noch de bijbehorende choreografie van Julius Reisinger een heel groot succes.

Pas na Tsjaikovski’s dood in 1893 werd de muziek werkelijk op waarde geschat. Dat leidde tot een nieuwe choreografie, van Marius Petipa en Lev Ivanov. Het is deze versie van Het Zwanenmeer uit 1895 die aan de basis staat van het nog altijd voortdurende, wereldwijde succes van wat wel ‘het ballet der balletten’ wordt genoemd.

Opdracht

In een brief aan collega-componist Rimsky-Korsakov, schreef Tsjaikovski in 1875: “De directie van het theater heeft mij opgedragen de muziek te schrijven voor het ballet Het Zwanenmeer. Ik heb de opdracht aangenomen, deels omdat ik het geld nodig heb, deels omdat ik al lang de wens koester mijn hand te wagen aan deze muzieksoort.” Hoewel het opmerkelijk was dat Tsjaikovski belangstelling had voor het genre – tot die tijd ontsteeg de meeste balletmuziek niet het niveau van middelmatig, effectgericht klankbehang – zag hij het schrijven van een balletcompositie dus wel degelijk als een uitdaging. Tsjaikovski hield van dansante muziek – wat ook blijkt uit zijn andere, tot dan geschreven composities.

Tsjaikovski’s bronnen

Samen met zijn opdrachtgever Vladimir Petrovitsj Begitsjev, directeur van de Keizerlijke Theaters in Moskou, en danser Vassili Geltzer bewerkte Tsjaikovski Der geraubte Schleier (De gestolen sluier), een Duits sprookje over betoverde duiven van schrijver Johann Karl August Musäus. Maar ook diverse andere bronnen schijnen bij het schrijven van het libretto te zijn gebruikt, waaronder het Russische volksverhaal De witte eend. Bij het componeren van zijn muziek zou Tsjaikovski bovendien geïnspireerd zijn geweest door een destijds verschenen krantenbericht over de steeds krankzinniger wordende Ludwig II van Beieren, de koning die zich enkel nog met zwanen omringde. Wellicht wekte het verhaal bij de componist associaties op met zijn eigen ook bepaald niet rooskleurige leven. 

Het eerste Zwanenmeer

Het eerste Zwanenmeer ging op 20 februari 1877 (er zijn ook bronnen die spreken over 4 maart 1877) in het Bolsjoi Theater in Moskou in première, in een choreografie van de Tsjechische Julius Wentsel Reisinger. Helaas wist deze middelmatige choreograaf amper raad met Tsjaikovski’s muziek. Hij liet delen herschrijven en aanvullen, en voegde hier en daar zelfs werk van andere componisten toe. Ook de (amateuristische) dirigent eiste verschillende inkortingen, waardoor uiteindelijk zo’n derde deel van de compositie werd veranderd.

De Moskouse pers reageerde zeer negatief op de balletproductie. De choreografie, de dansers, het decor, het orkest: ze kregen er allemaal van langs. Reisingers ballet ontbeerde volgens de critici ‘elke verbeelding en was als geheel allesbehalve gedenkwaardig’. In de ophef raakte Tsjaikovski’s compositie enigszins in het gedrang.

Hoewel sommige recensenten de kwaliteit ervan wel herkenden, vond het merendeel de muziek te ‘te complex’, ‘te Wagneriaans’, ‘te symfonisch’. ‘De melodie is grillig en nukkig, kortom; niet bestemd voor ballet’. Na zes jaar – waarin nog meer aanpassingen werden gedaan – verdween Reisingers Zwanenmeer van het repertoire. Tsjaikovski was zijn tijd duidelijk vooruit geweest. Pas toen hij met Marius Petipa The Sleeping Beauty (1890) en met Petipa en Lev Ivanov De Notenkraker (1892) had uitgebracht, werd de buitengewone kwaliteit van zijn balletmuziek op volle waarde geschat, en na zijn dood in 1893 nam de belangstelling voor zijn balletcomposities verder toe.

Petipa en Ivanov

Petipa en Ivanov hebben als geen ander bewezen dat Tsjaikovski’s muziek – met haar rijke, beeldende melodieën, verhalende karakter, ingenieuze gebruik van leidmotieven en briljante orkestratie – bij uitstek geschikt is voor ballet. Voor een herdenkingsconcert ter ere van de componist maakte Ivanov – assistent van Petipa bij het Keizerlijk Marijinski Theater in Sint-Petersburg – in 1894 een nieuwe choreografie op de muziek van de tweede, ‘witte’ akte van Het Zwanenmeer.

Het succes van die avond leidde tot het besluit een volledige nieuwe versie voor het omvangrijke balletgezelschap – rond de 230 dansers in dienst van de tsaar – te maken, die op 27 januari 1895 in Sint-Petersburg in première ging. Daarbij tekende Petipa voor de eerste en derde akte, die zich in respectievelijk de paleistuin en het paleis afspelen. Wat er bekend is over deze choreografieën is dat ze min of meer een aaneenschakeling van losse ‘nummers’ lieten zien, waarin technische virtuositeit – met onder meer de geniale spitzenvariaties waar Petipa om bekend staat – en kleurrijk spektakel de boventoon voerden.

Duizelingwekkende fouettés

Van Petipa’s bijdrage is alleen de beroemde én beruchte zwarte zwaan-pas de deux overgeleverd, het hoogtepunt uit de derde akte. Tijdens dit duet pakt Odile Siegfried in met haar sensuele, malicieuze verleidingskunsten. De 32 fouettés die onderdeel van haar variatie zijn (een duizelingwekkende serie draaibewegingen op één been die we danken aan de oorspronkelijke Odile, de Italiaanse ballerina Pierina Legnani), zijn de schrik en uitdaging van elke ballerina – ook omdat balletliefhebbers over de hele wereld ze meetellen.
 
Bij Ivanov, verantwoordelijk voor de tweede en vierde akte van Het Zwanenmeer, draait het niet om uiterlijk vertoon en virtuoos spektakel. In zijn ‘witte’ aktes ligt de nadruk op bezieling, zeggingskracht en muzikaliteit. Waar Odile een verbluffende indruk moet maken met haar techniek, wordt de witte zwaan Odette geacht breekbaar en sereen te zijn, een toonbeeld van liefde en puurheid. De pas de deux die Odette in de tweede akte met Siegfried danst, geldt in de danskunst als een wonder van lyriek en bewegingspoëzie. Behalve dit duet zijn ook Ivanovs choreografieën voor het corps de ballet, de Grote Zwanen en de altijd op groot applaus kunnen rekenende vier Kleine Zwaantjes (grotendeels) bewaard gebleven. Ivanovs tweede akte wordt tot op de dag van vandaag vaak nog onveranderd uitgevoerd.
 

Meer dan 150 versies

In de afgelopen bijna 120 jaar hebben meer dan 150 versies van Het Zwanenmeer het licht gezien, waarvan het merendeel gebaseerd is op de versie van Petipa en Ivanov. In Nederland werden vanaf 1937 korte fragmenten uit het ballet gedanst door buitenlandse gezelschappen; vanaf 1949 waagden ook de eerste Nederlanders zich hieraan. De eerste integrale versie die in ons land te zien was, was die van het Sadler’s Wells Ballet uit Londen, in 1954. Nadien namen zowel het Ballet der Lage Landen als het Ballet van de Nederlandse Opera de tweede akte uit Het Zwanenmeer op het repertoire. Het Nationale Ballet bracht in 1965 en 1973 als eerste in Nederland volledige versies van het ballet uit, gemaakt door respectievelijk de Russische balletmeesters Igor Belski en Marina Sjamsjeva en de Joegoslavische Zarko Prebil.

In zijn traditionele vorm is Het Zwanenmeer een echt ‘ballerinaballet’, waarbij de dubbelrol van Odette/Odile een van de grootste uitdagingen van het ‘ijzeren’ balletrepertoire vormt. Internationale topballerina’s als Galina Oelanova, Margot Fonteyn, Maja Plissetskaja, Carla Fracci, Natalia Makarova, Sylvie Guillem, Uliana Lopatkina en Svetlana Zakharova schitterden veelvuldig in het ballet. De laatste decennia zijn er echter ook diverse Zwanenmeren uitgebracht waarin de mannelijke solist een belangrijker – zo niet de belangrijkste – rol kreeg toebedeeld, zoals in de producties van Rudolf Nureyev (sommigen noemden zijn interpretatie spottend The ballet named Siegfried) Mats Ek en Matthew Bourne, in wiens ‘all male version’ ook de rol van de zwanenkoningin door een man wordt gedanst.

 

Van Dantzigs Zwanenmeer

Ook Rudi van Dantzig heeft veel meer aandacht gegeven aan de rol van de mannelijke solist. Zijn versie – de eerste geheel Nederlandse productie, die hij samen met goede vriend en artistieke partner Toer van Schayk maakte – ging op 31 maart 1988 in première in Het Muziektheater (nu: Nationale Opera & Ballet) in Amsterdam, met in de hoofdrollen sterballerina Alexandra Radius en eerste solist Alan Land. 

In Van Dantzigs visie is Siegfried een gevoelige, idealistische jongeman, die zich afkeert van het conservatieve, door corruptie, vriendjespolitiek en intriges getekende hofleven. Odette is voor de choreograaf niet langer een tot zwaan omgetoverde vrouw van vlees en bloed, maar een visioen dat voor Siegfried oprechtheid en puurheid symboliseert; de belichaming van zijn hoogstaande idealen.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het luxe programmaboek van Het Zwanenmeer (seizoen 2014 / 2015).