Steef de Jong
Foto: Kim Krijnen

Operettaland: De wereld van Steef de Jong

1 september 2022

Karton, operette en een onweerstaanbaar enthousiasme. Dat zijn de ingrediënten waarmee de Haarlemse theatermaker, vormgever en performer Steef de Jong zijn publiek betovert, zowel op de kleinste als de grootste podia.

Tekst: Laura Roling

Een warme julidag loopt op zijn einde. Op het terrein van reizend theaterfestival de Parade vormt zich, voor de derde keer die avond, een lange rij voor de tent waar Steef de Jong zijn ‘eenmansoperette’ Een luitenant uitvoert. In een half uur neemt hij de meer dan uitverkochte zaal in ‘Turbogeschwindigkeit’ mee door de operette Ein Walzertraum van Oscar Straus, over een pasgetrouwde luitenant die heimwee heeft naar Wenen.

De voorstelling is alvast een vingeroefening voor Steefs debuut bij de Volksoper in Wenen, het walhalla van de operette. Hij brengt er dit seizoen een geënsceneerd concert, waarin onder meer Ein Walzertraum op het programma staat. Maar waar hij in Wenen beschikt hij over twee zangers, staat Steef er op de Parade alleen voor: hij neemt alle rollen – een stuk of vijf – en ensembles voor zijn rekening. Het komt daarbij goed van pas dat Steef een begenadigd zanger is, met een stemgeluid dat doet denken aan de charmante zang van kleinkunstenaars uit ver vervlogen tijden.

Het decor van Een luitenant is ‘typisch Steef’: door hemzelf ontworpen en vervaardigd. Daarbij is te zien dat hij een liefhebber is van de ‘pop-upboektechniek’, uitklapboeken waaruit ineens allerlei werelden ontstaan. Een ogenschijnlijk simpel levensgroot kartonnen schetsboek blijkt de ene na de andere verrassing te herbergen. Van een keurige afwerking is geen sprake, de ‘look’ is eerder speels en een beetje gammel. “Het moet hop hop in elkaar zijn gezet, zo van: ram ram. Dat je denkt: hé, een vouw, daar zit vast weer een stukje wereld achter.”

De elementen die zijn voorstellingen op de Parade zo onweerstaanbaar maken, neemt Steef ook mee naar Operetta Land, zijn debuut bij De Nationale Opera: een innemende podiumpersoonlijkheid, zijn kartonnen creaties, en natuurlijk operette.

‘Operette is voor mij een vlucht, weg van de werkelijkheid’

Operette

Steef wijdt zich al een goed decennium aan operette, een genre dat soms de reputatie heeft stoffig en oubollig te zijn. Waar er tot enkele decennia geleden nog volop operetteverenigingen in Nederland waren, lijkt het genre in een neergaande spiraal van onbekend en onbemind te zijn beland. Bij De Nationale Opera stond in het voorjaar van 2021 met Franz Léhars Die lustige Witwe voor het eerst in lange tijd weer een operette op het programma – tot de pandemie hier een stokje voor stak.

Wat Steef aantrekt in operette – “het miskende stiefkind van de opera en de moeder van de musical” – is de luchtigheid en de oprechte sentimentaliteit. Met name dat laatste mist hij in het dagelijks leven: “Er wordt tegenwoordig vaak lacherig gedaan over romantiek en sentiment, maar ik snak daar juist naar. De wereld is al zo lelijk en hard. Operette is voor mij een vlucht, weg van de werkelijkheid.”

Maar Steef vindt in operette veel meer dan escapisme alleen. Zo biedt de kunstvorm van oudsher ook ruimte voor maatschappijkritiek, met een flinke knipoog. Rolpatronen en machtsrelaties worden in het genre al sinds het begin op hun kop gezet. Een voorbeeld: in Jacques Offenbachs operette Orphée aux enfers (1858) krijgt de klassieke mythe van Orpheus en Eurydice een bijzondere twist. De twee geliefden kunnen elkaar niet luchten of zien, dus wanneer Eurydice door haar echtgenoot uit de onderwereld wordt teruggehaald, besluit ze zich te voegen bij de bacchanten – de volgelingen van Bacchus, de god van de wijn en de roes. Deze eigengereidheid en ‘ontheiliging’ van de mythe zou in het operagenre ondenkbaar zijn.

Zijn liefde voor operette ontwikkelde Steef overigens op een onwaarschijnlijke plek: DasArts, de masteropleiding van de Amsterdamse Academie voor Theater en Dans, die hij na de Rietveld-academie volgde omdat hij zich ook in het theatermaken wilde bekwamen. “Ik werd daar een beetje recalcitrant van het avant-gardistische. Het eerste blok van drie maanden droeg de titel ‘the glamour of violence’, en daar moest je dan op reflecteren. We gingen allemaal vreselijk gewelddadige films kijken, en we kregen boksles.” Uit een soort recalcitrantie bedacht hij: “zelf een operette maken is misschien wel het aller-avantgardistisch-ste wat ik op deze school kan doen.”

 

Bestaande muziek, nieuwe tekst

Voor zijn debuut bij De Nationale Opera had Steef een bestaande operette kunnen regisseren, zoals hij in 2021 voor Toneelschuur Producties deed met Johan Strauss’ Eine Nacht in Venedig. Toch koos hij voor de vorm van een collagevoorstelling, mede omdat hij hierdoor zoveel mogelijk verschillende kanten van de kunstvorm aan bod kan laten komen: van het Franse tot het Britse en uiteraard het Weense repertoire. Tot de operettemuziek die de uiteindelijke selectie heeft gehaald, behoren onder meer solo’s, duetten en ensembles uit Der liebe Augustin van Leo Fall, L’île de Tulipatan van Jacques Offenbach, The Mikado van Gilbert and Sullivan, Der Vogelhändler van Carl Zeller, Die lustige Witwe van Franz Léhar en Das Spitzentuch der Königin van Johan Strauss II, de koning van de Weense wals.

‘Operette heeft lak aan alles. Het laat met het grootste gemak concepten los’

De ‘operetteske’ verhaallijn van de voorstelling had Steef al in een vroeg stadium uitgedacht: een personage, ‘de Verzinner’ genaamd, reist af naar het zelfverzonnen Operetta Land, dat aan de rand van de financiële afgrond staat. Om soelaas te bieden moet prinses Galathea trouwen met een rijke huwelijkskandidaat. De komst van de mysterieuze (en rijke!) prins Nicola wordt aangekondigd, maar of hij echt bestaat? In ieder geval vermommen de boosaardige koning Pygmalion en de smoorverliefde graaf Lothar zich als Nicola, om zo naar de hand van Galathea te dingen. Natuurlijk loopt alles, zoals het een operette betaamt, in het honderd: misverstanden en listen stapelen zich op tot een kookpunt wordt bereikt. Het verhaal dat zo verteld wordt, brengt een ode aan de menselijke fantasie waarover we allemaal beschikken, zelfs al lijken we deze weleens kwijt te raken naarmate we ouder worden.

Een deel van de muziekselectie zal in de oorspronkelijke taal gezongen worden, maar het overgrote deel wordt in een Nederlandse bewerking uitgevoerd. Voor de teksten trok Steef niemand minder dan schrijver en cabaretier Paulien Cornelisse aan, die bekend staat om haar gevatte en scherpe analyses van hedendaags taalgebruik en sociale situaties, onder meer in haar boeken Taal is zeg maar echt mijn ding, En dan nog iets, Taal voor de leuk en de absurdistische roman De verwarde cavia, waarin ze een cavia laat werken in de kantoortuin van een communicatieafdeling.

 

Jonge zangers

In de voorstelling is, behalve Steef zelf, ook het nodige jonge operatalent te horen, begeleid door het Nationaal Jeugdorkest. Uit de Opera Studio, het talentontwikkelingsprogramma van De Nationale Opera, doen drie zangers mee: sopraan Elenora Hu, mezzosopraan Maya Gour en tenor Ian Castro. Zij worden vergezeld door bas-bariton Frederik Bergman (alumnus van de Opera Studio), bariton Raoul Steffani, sopraan Laetitia Gerards en bas-bariton Marc Pantus. Voor het overgrote deel van de zangers is Nederlands de moedertaal, maar de Israëlische Maya Gour en de Amerikaanse Ian Castro zullen vermoedelijk een aardige kluif hebben aan de Nederlandstalige zang en dialogen.

Daarnaast zullen alle zangers op acteergebied voor flinke uitdagingen worden gesteld: in Operetta Land wordt door Steef namelijk bewust niet getypecast. Zo zingt sopraan Laetitia Gerards de rol van Graaf Lothar, die smoorverliefd is op prinses Galathea (Elenora Hu), en verschijnt bariton Raoul Steffani aanvankelijk ten tonele als de Koning, totdat de Verzinner besluit dat hij liever een Koningin voor zich heeft. Het is een voorbeeld van de creatieve manier waarop Steef vaker met zijn materiaal omgaat: “Een kamermeisje kan in mijn wereld zomaar een kamerjongen worden en verliefd worden op een andere jongen.” Hierin voelt hij zich gesterkt door de vrijheid die eigen is aan het operettegenre zelf: “Operette heeft lak aan alles. Het laat met het grootste gemak concepten los: o, nu zijn we verliefd, laladie lalada, daarom gaan we uit het niets zingen en walsen. Het kán allemaal. Met dat gevoel van vrijheid en fantasie wil ik het publiek aansteken.”