Magazine Gianni Schicchi vs. Eine florentinische Tragödie
  • Willem Bruls
  • 20 Oct 2017
  • Leestijd: 7 minuten

Gianni Schicchi vs. Eine florentinische Tragödie

De opera Gianni Schicchi is het vrolijke sluitstuk van Giacomo Puccini's Trittico; drie eenakters gebaseerd op Dantes Divina CommediaEine Florentinische Tragödie is een van de twee eenakters die Alexander von Zemlinsky baseerde op het broeierige symbolisme van Oscar Wilde. Tussen beide eenakters lijkt een wereld van verschil te liggen, maar er zijn ook veel overeenkomsten. 

Willem Bruls over nieuwe klanken en vormen, de corrumperende rol van geld en natuurlijk over Florence, de stad die deze twee eenakters met elkaar verbindt.

Nieuwe klanken en vormen

Muzikaal lijken er werelden van verschil te liggen tussen Giacomo Puccini en Alexander von Zemlinsky. De eerste is een volbloed Italiaanse operacomponist, beïnvloed door Giuseppe Verdi en het verisme, de tweede een Weens-Joodse avantgardist, beïnvloed door Arnold Schönberg en het symbolisme. De eerste boekte successen in Milaan, Rome en New York, de tweede in Wenen, Praag en Berlijn. Maar er zijn ook veel overeenkomsten, die zich overigens niet beperken tot het feit dat Von Zemlinsky in 1942 als berooide Joodse vluchteling overleed in New York, de stad waar in 1918 Puccini’s Gianni Schicchi in première was gegaan.

Operacomponisten waren in de eerste decennia van de twintigste eeuw naarstig op zoek naar nieuwe klanken en nieuwe vormen. Het gewicht van de vier à vijf uur durende muziek drama’s van Wagner drukte zwaar. Men zocht naar alternatieven. Een ander soort muziek bijvoorbeeld, zoals Debussy, Stravinsky en Weill ontwikkelden. Of een andere vorm, en dan met name een kortere. Dat werd de eenakter, die tussen pakweg 1900 en 1930 enorm populair werd. Het begon ooit met Mascagni en Leoncavallo in de negentiende eeuw, maar in de twintigste eeuw volgden Richard Strauss, Schönberg, Bartók, Korngold, Ravel en vele anderen.

Drie eenakters

Giacomo Puccini had naam gemaakt als voortzetter van de Italiaanse operatraditie van de negentiende eeuw. Al in 1904 had de componist de eerste plannen om drie eenakters te schrijven, aangespoord door het enorme succes van Mascagni’s Cavalleria rusticana. Een rode draad tussen zijn drie werken zou worden gewaarborgd door de gezamenlijke literaire bron: Dantes Divina Commedia. Dat veranderde hij gaandeweg. Twee andere werken – Il tabarro en Suor Angelica – zouden uiteindelijk voorafgaan aan Gianni Schicchi, dat wel gebaseerd is op Dante. De verbinding tussen de drie werken werd nu het thema van de dood en de ontdekking van een stoffelijk overschot.

Een komedie

Gianni Schicchi is het vrolijke sluitstuk van zijn Trittico. De oude Florentijnse koopman Buoso Donati overlijdt, maar tot grote schrik van de uitgebreide familie laat hij in zijn testament alles na aan een klooster. Een van zijn neven, de jonge Rinuccio, is al langer verliefd op de mooie Lauretta. Zij is de dochter van een parvenu uit Florence, Gianni Schicchi. Omdat Rinuccio zijn erfenis zeker wil stellen om met Lauretta te kunnen trouwen, roept hij de hulp in van Schicchi. Die bedenkt een truc: het oude testament wordt vernietigd en Schicchi, die zich als de stervende Buoso voordoet, laat met een notaris een nieuw testament opmaken. Dat lukt, maar een groot deel van het bezit eigent hij zichzelf toe.

De liefde tussen Rinuccio en Lauretta is de echte motor van het verhaal, niet de wanhoop en de paniek om de schijnbaar verloren erfenis. Dat maakt Puccini ook muzikaal duidelijk. De opera is grotendeels geschreven in een symfonische recitatiefstijl, waarbij het draait om scherpe dialogen en flitsende theatrale humor. Slechts één lyrische melodie kenmerkt het werk: de liefdesmuziek die langzaam ontstaat gedurende het stuk –  al in het begin bij Rinuccio. Die melodie culmineert uiteindelijk in Lauretta’s smeekbede aan haar vader Gianni Schicchi om de Donati-familie te helpen de erfenis terug te krijgen. Zij weet dat Rinuccio alleen dan in staat is met haar te trouwen. Die melodie, ‘O mio babbino caro’, werd een wereldhit.

Een tragedie

Alexander von Zemlinsky heeft, anders dan Puccini, nooit de erkenning en de publieke waardering gekregen die hij verdient. Hij ontwikkelde zich naast Mahler, Strauss en Schönberg en de beïnvloeding was steeds wederzijds. Ondanks het feit dat hij in de schaduw vertoefde van anderen, schreef hij prachtige muziek, waaronder een aantal opera’s. Zo baseerde hij twee eenakters op het broeierige symbolisme van Oscar Wilde: Der Zwerg (1919) en Eine florentinische Tragödie (1917).

Talloze romans, toneelstukken en opera’s gaan over ontrouw en huwelijksverraad, maar de eigenzinnige Oscar Wilde wist een bizarre draai te geven aan het verhaal. In het Florence van de renaissance komt de koopman Simone thuis van een mislukte handelsdag. Hij heeft niets van zijn dure stoffen en kleren kunnen verkopen. Hij treft zijn vrouw aan met een man, de Florentijnse kroonprins Guido Bardi. Al snel wordt duidelijk dat zijn vrouw Bianca hem ontrouw is, maar voordat het tot een echte confrontatie komt tussen de twee mannen, ontwikkelt zich een cynische woordenstrijd tussen hen. Uiteindelijk ontlaadt de spanning zich in een tweegevecht waarbij de rijke, mooie en jonge minnaar wordt gedood door de jaloerse echtgenoot. Bianca en Simone verzoenen zich met elkaar.

Alexander von Zemlinsky heeft, anders dan Puccini, nooit de erkenning en de publieke waardering gekregen die hij verdient

Het was niet Von Zemlinsky maar Puccini die het eerst overwoog om dit verhaal als eenakter op muziek te zetten, eerst in 1906 en later in 1912. Waarschijnlijk weerhield de even plotselinge als onwaarschijnlijke verzoening tussen Simone en Bianca Puccini van een toonzetting. Voor Von Zemlinsky was deze verzoening echter geen ironie, maar een ontknoping die het drama juist zijn focus en richting gaf. Het verwees voor hem naar het toen heersende idee van het ‘tragische en eeuwige misverstand tussen man en vrouw’. Vocaal staat de partij van de echtgenoot Simone centraal, die de hele muzikale ontwikkeling domineert en die een wagneriaanse diepgang vereist. De minnaar en de echtgenote komen soms amper aan het woord.

Florence

De stad die deze twee eenakters met elkaar verbindt is natuurlijk Florence. In Puccini’s opera figureert de stad duidelijk in Rinuccio’s aria ‘Firenze è come un albero fiorito’ (‘Florence is als een bloemrijke boom’), waarin niet alleen de lyrische liefdesmelodie ontstaat, maar waarin die lyrische schoonheid eveneens verbonden wordt met de middeleeuwse stad Florence, en de prachtige witmarmeren campanile van de kathedraal die architect Giotto net heeft voltooid en die als een bloem de hemel in reikt. Dante, een verbannen zoon van Florence, figureert op de achtergrond en wordt door Gianni Schicchi aan het slot met name genoemd.

Het Florence van Wilde en Von Zemlinsky is deels fictief. De republikeinse stad werd bestuurd door het adellijke bankiersgeslacht De Medici, en hoewel de bankiersfamilie Bardi echt bestaan heeft en machtig was, was er nooit zoiets als een kroonprins Guido Bardi. Het ging Wilde om de sociale tegenstelling tussen de hoge adel en de nieuwrijke kooplieden, iets wat ook bij de Donati’s en de Schicchi’s speelt.

Geld

De belangrijkste overeenkomst tussen de twee stukken is de corrumperende rol van geld en de verhouding van geld en bezit ten opzichte van de liefde. In beide stukken wordt de liefde ‘gekocht’. In Gianni Schicchi is er sprake van een algehele geldzucht, die het respect voor het overleden familielid geheel teniet doet. Maar de liefde van Rinuccio en Lauretta kan alleen met een huwelijk gezegend worden als er voldoende kapitaal wordt ingebracht. In Eine florentinische Tragödie is dat pecuniaire cynisme nog erger. Voordat het tot een uitbarsting komt tussen de twee mannen, suggereert Simone dat Guido hem zijn dure koopwaar kan afkopen. Hiermee maakt hij zijn vrouw Bianca impliciet tot een prostituee. Het geld lijkt de liefde dus te overwinnen.

Premières

Gianni Schicchi ging, zoals gezegd, als slotdeel van de Trittico in première in New York op 14 december 1918. De Eerste Wereldoorlog was net afgelopen. Eine florentinische Tragödie kreeg een kleine twee jaar eerder, op 30 januari 1917, zijn vuurdoop in Stuttgart. Hoe verschillend de wortels van de twee componisten ook waren, beide werken zijn niet alleen fris en vernieuwend voor hun tijd, zij maken ook allebei gebruik van moderne harmonische en orkestrale vernieuwingen. In beide composities klinken Debussy, Mahler en Strauss door – ook bij Puccini. De macabere en karikaturale foxtrotachtige muziek die gespeeld wordt als de dokter het huis van Buoso Donati verlaat, heeft een ironische actualiteit die aan Kurt Weill doet denken. Dat is eveneens de wereld van Von Zemlinsky; ook wat dat betreft liggen de twee werken niet zo heel ver van elkaar af.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Odeon 107.