Magazine De oorsprong van een avantgardistische hit
  1. Magazine
  2. De oorsprong van een avantgardistische hit
  • Laura Roling
  • 23 May 2017
  • Leestijd: 7 minuten

De oorsprong van een avantgardistische hit

In 1905 zorgde Richard Strauss met zijn eenakter Salome voor een ware operasensatie. Niet alleen shockeerde hij het publiek met een van seks, geweld en obsessies overlopend plot, hij goot deze materie bovendien in een nieuwe, expressieve muzikale taal. Met Salome bracht Strauss het operagenre de twintigste eeuw binnen én vestigde hij zijn naam als operacomponist.

Strauss en Wagner

Toen hij in 1904 zijn veertigste verjaardag vierde, had Richard Strauss op professioneel vlak weinig te klagen. Als componist van liederen, kamermuziek en orkestraal werk was hij inmiddels een grote naam geworden. Alleen op het operavlak bleef het succes uit. Een (gedeeltelijke) verklaring hiervoor kan gevonden worden in Strauss’ aanvankelijk verlammend grote ontzag voor Richard Wagner.

Als jongeman raakte Strauss – tot ongenoegen van zijn vader, een hoornist met beduidend conservatievere muzikale voorkeuren – idolaat van de opera’s van Richard Wagner. Hij bezocht met regelmaat de jaarlijkse Wagner-Festspiele in Bayreuth, en mocht daar, tot zijn grote vreugde, op zevenentwintigjarige leeftijd aantreden als assistent-dirigent. Hij raakte bovendien bevriend met Cosima Wagner, de weduwe van de grote componist. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Strauss zijn eerste opera, Guntram, naar Wagneriaans voorbeeld schreef. Guntram ging in 1894 in Weimar in première, maar flopte en verdween na enkele voorstellingen alweer van de planken. Ook in Feuersnot, Strauss’ tweede opera, is de invloed van Wagner duidelijk merkbaar.

Doorbraak

Zijn grote operadoorbraak beleefde Strauss pas in 1905 met Salome, zijn derde opera. Dit werk verschilt in vrijwel alle opzichten van de grootse muziekdrama’s van Wagner. Zo is Salome een compacte eenakter met het tempo van een toneelstuk. De handeling speelt zich niet af in een heroïsch-middeleeuwse setting, maar in een decadente en harde wereld die bevolkt wordt door personages die in meerdere of mindere mate disfunctioneel gedrag vertonen. Ook muzikaal slaat Strauss een nieuwe weg in met uiterst expressieve, beklemmende muziek die de grenzen van de tonaliteit opzoekt.

De handeling speelt zich niet af in een heroïsch-middeleeuwse setting, maar in een decadente en harde wereld die bevolkt wordt door personages die in meerdere of mindere mate disfunctioneel gedrag vertonen. 

De personages in Strauss’ opera vinden hun oorsprong in historische karakters. Zo heerste Herodes Antipas, vermeldt de Romeinse geschiedschrijver Flavius Josephus, van 4 voor tot 39 na Christus over Galilea en Perea. Hij was getrouwd met Herodias, die echter al eerder met zijn (nog levende) broer een huwelijk had gesloten. Uit dat eerdere huwelijk had Herodias een dochter, Salome. Herodes heerste over een politiek allerminst stabiel rijk en achtte het noodzakelijk opstandige elementen in zijn rijk onschadelijk te maken. Een van deze opstandelingen was een radicale prediker die we uit de Bijbel kennen als Johannes de Doper (en in Salome onder zijn Hebreeuwse naam Jochanaan).

Bekijk de uitvoering van één van de meest beroemde scènes uit Salome: de Dans met de zeven sluiers, door de Zweedse sopraan Malin Byström in de rol van Salome

In de evangeliën van Marcus en Mattheüs worden deze historische gegevens tot een prikkelend narratief gesmeed: omdat de profeet Johannes publiekelijk schande spreekt van het huwelijk van Herodes, dringt Herodias er bij haar echtgenoot op aan hem te doden. Om zijn vrouw tegemoet te komen laat Herodes Johannes opsluiten, maar weigert hem ter dood te brengen. Op zijn verjaardagsfeest laat Herodes zich echter het hoofd op hol brengen door de fraai dansende dochter van Herodias. Hij belooft haar te belonen met wat ze ook maar wenst. Het jonge meisje wordt door haar moeder geïnstrueerd om het hoofd van Johannes op te eisen. Met tegenzin laat Herodes Johannes onthoofden.

Van de Bijbel naar Wilde

Het verhaal van Johannes de Doper was gedurende het vroege christendom en in de Middeleeuwen bijzonder populair en werd in steeds nieuwe en uitgebreidere varianten verteld en op schrift gesteld. In deze latere varianten gaat met name het karakter van Salome een grotere rol spelen. Van een instrument in de handen van haar moeder ontwikkelt ze zich in de loop der eeuwen tot een vrouw die vanwege persoonlijke motieven uit is op het hoofd van Johannes. In deze periode steekt dan ook een versie de kop op waarin Salome verliefd is op Johannes. Na de Renaissance verliest het personage van Salome enigszins aan populariteit, om in de loop van de negentiende eeuw weer veelvuldig in de beeldende kunst en literatuur terug te keren. In deze periode wordt Salome vooral in de mal gegoten van een spannende, oriëntaalse femme fatale, die zowel onweerstaanbaar als gevaarlijk is.

De bekende aria aan het einde van Strauss' Salome, nadat Salome het hoofd van Jochanaan is overhandigd, uitgevoerd door de Zweedse sopraan Malin Byström.

In deze gedaante verschijnt Salome in Oscar Wildes gelijknamige toneelstuk uit 1891. Omdat het destijds in het Verenigd Koninkrijk verboden was om bijbelse figuren op het toneel te brengen in Engelse toneelstukken, schreef Wilde zijn Salomé in het Frans. Hij hoopte zo de strikte censuur te omzeilen en begon alvast met de voorbereidingen voor een Franstalige premiere in Londen. De wereldberoemde actrice Sarah Bernardt zou de titelrol vertolken. De handeling van het stuk – waarin Salome afgewezen wordt door Jochanaan, daarom zijn hoofd opeist en vervolgens het opgediende hoofd liefkoost en kust – vormde echter op het laatste moment alsnog aanleiding voor een uitvoeringsverbod, en Wilde besloot zijn stuk in gedrukte vorm te publiceren.

Strauss en Salome

Rond 1900 drong Wildes Salomé voor het eerst door tot het Duits taalgebied in een vertaling van Hedwig Lachmann. Hoewel de verstaalster de Engelse versie van Alfred Douglas als brontekst gebruikte, wist ze toch het snijdende, vlotte proza van Wilde in het Duits weer te geven. Deze vertaling verscheen voor het eerst in het tijdschrift Wiener Rundschau, uitgegeven door de dichter Anton Lindner. Deze Lindner stuurde het stuk naar Strauss, met de suggestie er een opera van te maken. Hij bood aan zelf het libretto te verzorgen. Strauss was niet direct overtuigd, en werd dat nog minder toen hij in 1902 de eerste schetsen van Lindners libretto onder ogen kreeg.

De aard van de tekst, de karakters en de handeling bracht Strauss de nodige inspiratie om zich los te maken van zijn Wagneriaanse voorbeeld en een nieuw muzikaal idioom te ontwikkelen.

Enthousiast werd Strauss pas echt toen hij later dat jaar aanwezig was bij de Berlijnse première van het toneelstuk. Hij verwees de teksten van Lindner naar de prullenmand en ging zelf aan de slag met het inkorten van de Duitse toneeltekst van Lachmann en het schrijven van muziek bij deze tekst. De aard van de tekst, de karakters en de handeling bracht Strauss de nodige inspiratie om zich los te maken van zijn Wagneriaanse voorbeeld en een nieuw muzikaal idioom te ontwikkelen. 

Zo weerspiegelt Strauss’ muziek de karakters. Het overduidelijke oriëntalisme in Wildes Salomé verklankt Strauss in (voor westerse oren) oosters aandoende muzikale motieven, waaronder het beroemde klarinetloopje waarmee de opera opent. Ook past hij zijn muziek aan op de karakters die op het toneel aanwezig zijn en spreken. Wanneer de springerige, onrustige Salome aan het woord is, wordt de muziek gekenmerkt door snel wisselende toonsoorten en tempowisselingen, maar wanneer de rechtlijnige profeet Jochanaan het woord neemt, zijn eenvoudige, langzame ritmes te horen. Hoezeer deze karakters qua levenshouding verschillen wordt zo direct duidelijk. Maar ook op het detailniveau zit Strauss’ compositie sterk in elkaar: zo weet hij zelfs beeldspraak in de toneeltekst muzikaal gestalte te geven. Wanneer Salome bijvoorbeeld Jochanaans rode mond vergelijkt met de rode voeten van de mannen die wijn stampen, is in het orkest een kort, krachtig stampgeluid te horen.

In de slotscène, waarin Salome in extase het hoofd van Johannes de Doper liefkoost, breekt Strauss’ muziek haast uit zijn voegen met schurende dissonanten.

In de slotscène, waarin Salome in extase het hoofd van Johannes de Doper liefkoost, breekt Strauss’ muziek haast uit zijn voegen met schurende dissonanten. De compositie verkent hier de absolute grenzen van de tonaliteit. Wanneer Herodes aan het slot van de opera echter kort en krachtig paal en perk stelt aan de transgressies van zijn stiefdochter en haar executie beveelt, herstelt hij tevens muzikaal de orde van de tonaliteit.

Wereldwijde triomftocht

Direct na de première in 1905 begon Salome aan een wereldwijde triomftocht langs de operahuizen. Het publiek reageerde vrijwel unaniem enthousiast, al stuitte de opera hier en daar wel op censuur. Zo had men aan de hoftheaters in Berlijn en Wenen bedenkingen en werd het werk geweerd of op kleine punten aangepast, bijvoorbeeld door toevoeging van een projectie van de ster van Bethlehem in Berlijn. In Londen werd de censuur in 1910 nog ontweken door alle Bijbelse referenties te verwijderen en de handeling naar het oude Griekenland te verplaatsen. Al snel waren dergelijke aanpassingen niet meer nodig en werd definitief het ongelijk van Kaiser Wilhelm II, die voorspeld zou hebben dat Strauss’ carrière schade zou ondervinden van Salome, bewezen. "Van die schade kon ik mijn villa in Garmisch laten bouwen," blikte Strauss in 1941 terug.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Odeon 106.