Magazine Francesco Cavalli: De Mozart van de 17e eeuw
  1. Magazine
  2. Francesco Cavalli: De Mozart van de 17e eeuw
  • michel khalifa
  • 05 Oct 2017
  • Leestijd: 4 minuten

Francesco Cavalli: De Mozart van de 17e eeuw

Hij legt zijn ziel en zaligheid in de barokmuziek, geldt wereldwijd als een Cavalli-expert, maar benadert zijn vak met gezonde scepsis. Een gesprek met de Argentijnse klavecinist en dirigent Leonardo García Alarcón, die met het onbekende juweel Eliogabalo bij DNO debuteert.

Aanstootgevend personage

Een aanstootgevend operapersonage kan aantrekkelijk overkomen mits een vakkundige componist zich over hem ontfermt. Neem Eliogabalo (Heliogabalus), de losbandige en piepjonge Romeinse keizer die volgens zijn biografen niet terugschrok voor verkrachting en moord om zijn lusten bot te vieren. Deze gevaarlijke adolescent was bijna door de geschiedenis vergeten, maar de Italiaanse componist Francesco Cavalli nam hem in 1667 tot onderwerp van zijn laatste bewaarde opera, en het onmogelijke gebeurde.

“Eliogabalo smeekt alle vrouwen om liefde en deze behoefte maakt hem bijna sympathiek”, zegt Leonardo García Alarcón. “Tijdens zijn grote liefdesverklaring aan Flavia Gemmira klinkt hij zo overtuigend dat de luisteraar onbedoeld zijn kant kiest. ‘Zeg maar ja!’, zullen velen tegen Flavia willen roepen, ook al weten ze dat Eliogabalo niet te vertrouwen is. Ik zie een verband met ‘Pur ti miro’ aan het eind van L’incoronazione di Poppea: dit duet tussen Nero en Poppea is zo prachtig dat het publiek Nero zijn misdaden vergeeft en het liefdespaar alle geluk toewenst. Ik denk overigens dat dit slotduet niet door Monteverdi gecomponeerd is, maar door Cavalli.”

Monteverdi

De vergelijking ligt voor de hand. Monteverdi was de mentor van de jongere Cavalli in Venetië. Toch bestaan er volgens García Alarcón grote verschillen tussen beide componisten: “Bij Monteverdi staat de tekst centraal, terwijl Cavalli meer aandacht aan de melodische ontwikkeling besteedt. Monteverdi is nog verankerd in de klankwereld van de zestiende eeuw, met al zijn specifieke kleuren (chromatiek) om pijn en droefenis weer te geven. Cavalli schrijft daarentegen eenvoudigere zanglijnen die in onze moderne oren ‘natuurlijker’ klinken.”

“Monteverdi was uiteraard een grote vernieuwer, maar hij ontwikkelde zijn nieuwe idioom op een cerebrale manier, als in een laboratorium. Hij nam alle tijd om grondig na te denken over zijn muzikale experimenten. Cavalli daarentegen componeerde gewoon, zo snel en vloeiend dat je hem als de Mozart van de zeventiende eeuw zou kunnen beschouwen.”

Cavalli-specialist

Cavalli’s ijver vertaalde zich in zo’n dertig opera’s, waarvan er 27 bewaard zijn gebleven. In 2015 legde Leonardo García Alarcón fragmenten uit deze werken vast op de cd ‘Cavalli: Heroines of the Venetian Baroque’. De meeste van de Cavalliheldinnen op deze cd worden gezongen door de sopraan Mariana Flores, die in Eliogabalo de rol van Atilia vertolkt.

Ook op scenisch gebied richt hij zich de laatste jaren steeds vaker op Cavalli. Eliogabalo, een coproductie waarover García Alarcón vorig jaar in Parijs ook de muzikale leiding had, is zijn vierde Cavalli-productie na Elena in Aix-en-Provence, Il Giasone in zijn woonplaats Genève en Erismena afgelopen zomer, wederom in Aix. Zo verwezenlijkt de 41-jarige ‘maestro al cembalo’ (dirigent aan het klavecimbel) zijn eigen voorspelling dat onze eeuw de eeuw van Cavalli’s herontdekking zal zijn.

Cavalli componeerde gewoon, zo snel en vloeiend dat je hem als de Mozart van de zeventiende eeuw zou kunnen beschouwen.

Elke opera van Cavalli is anders, benadrukt García Alarcón. De inspiratiebronnen lopen uiteen, van mythologie tot oude geschiedenis en ridderroman. Ook zit er een wereld van verschil tussen de pracht en praal van een hofopera als Ercole amante (in 2009 bij DNO opgevoerd) en een wat soberder werk, althans wat koor en special effects betreft, als Eliogabalo, geschreven voor een commercieel operatheater in Venetië.

Vocale kracht

De titelrol in Eliogabalo wordt gezongen door García Alarcóns landgenoot Franco Fagioli, die al in Parijs veel bijval oogstte. “Deze rol is Franco op het lijf geschreven. Hij is geen doorsnee countertenor, maar een echte sopranist die ook in het hoge register zeggingskracht bezit, net als bijvoorbeeld Philippe Jaroussky en Bejun Mehta. Bij Nationale Opera & Ballet zitten we niet in een kerk, waar de ruimte de stem draagt, en ook niet in een intiem Venetiaans theater. Je moet het brede gebaar inzetten en vocale kracht is daarbij essentieel. Ik ben dan ook blij dat we daarnaast doorgewinterde operazangeressen in de cast hebben, zoals Kristina Mkhitaryan en Nicole Cabell.”

Moderne barokmusicus

Leonardo García Alarcón kwam op negentienjarige leeftijd naar Genève om klavecimbel te studeren bij Christiane Jaccottet. In Buenos Aires had hij op jonge leeftijd concerten bijgewoond van de Oude Muziek-coryfeeën Gustav Leonhardt en Philippe Herreweghe. Met evenveel enthousiasme had hij ook Bachs Matthäus-Passion beluisterd in de uitvoering van Eugen Jochum met het Concertgebouworkest. Op de vraag of hij zichzelf als een barokmusicus pur sang beschouwt, laat hij een korte stilte vallen. Peinzend: “Ik leef niet in de tijd van de barok. Ik ben slachtoffer van het tijdperk waarin ik geboren ben.”

“De twintigste eeuw bracht een breuk met zich mee tussen de zangstem en de hersenen. Voor mij als musicus staat de zangstem bovenaan. Chopin, Wagner, Brahms en Richard Strauss waren nog in contact met de stem. Ik kan ook elke partituur dirigeren die uit emotie, menselijkheid en ritme is ontstaan. Dit geldt zeker voor instrumentale werken van Bartók, Stravinsky of mijn landgenoot Ginastera. Maar Boulez en een antivocale taal als de twaalftoonsmuziek laat ik aan mij voorbijgaan.”

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Odeon 107.